SON-R Overzicht SON-R Overzicht SON-R 2.5-7 SON-R 2.5-7 SON-R 6-40 SON-R 6-40 Computerprogramma SON-test Computerprogramma SON-test

Foto impressies Symposium 60 jaar SON tests Foto's Symposium 60 jaar SON tests Boekbespreking Tussen Traditie en Vernieuwing Bespreking, Tussen Traditie en Vernieuwing
Bespreking van het Symposium in de Psycholoog, april 2004 Bespreking van het Symposium Boom test uitgevers Tussen Traditie en Vernieuwing bestellen bij Boom
Indruk van het boek, Tussen Traditie en Vernieuwing Indruk boek, Tussen Traditie en Vernieuwing terug naar Archief terug naar Archief


De Psycholoog, maart 2004
Tussen traditie en vernieuwing. Zestig jaar SON-tests
P. van Drunen
Amsterdam: Boom, 2003, 76 p.
ISBN 90 5352 959 4

De geschiedenis van de SON-tests als reflectiemiddel

Matty van der Meulen

In een prachtige nazomerweek in september 1970 trokken mijn echtgenoot, destijds student orthopedagogiek, en ik, student-assistent voor het ijkingsonderzoek van de Starren-SON, naar Baarderadeel, een Friese plattelandsgemeente tussen Sneek en Leeuwarden. Op de tweetalige basisschool in Jorwerd – toen nog een onbekende plaats – namen we de test af aan leerlingen die in de ijkingssteekproef zaten. De kinderen in de laagste klassen spraken alleen Fries. Omdat dit ook onze moedertaal was, en omdat het principe van de SON-tests was dat taalgebruik niet essentieel is voor instructie en respons, besloten we op eigen initiatief de test in het Fries af te nemen. Desalniettemin was de kleine Klaas kennelijk zo geschrokken, dat hij ’s middags niet terug kwam op school om de test af te maken. De hoofdonderwijzer liet hem door een van de oudere leerlingen ophalen. ’s Avonds namen we de test af bij de categorie ‘werkende jongeren’. Zo kwamen we op een avond in het pikdonder midden in de weilanden vast te zitten. Ergens in de verte moest de boerderij zijn, waar onze werkende jongere woonde, maar er leek geen weg naar toe te leiden.

Deze en andere herinneringen kwamen boven, toen ik het boekje van Peter van Drunen over de geschiedenis van de SON-tests las. Het boek hoort thuis in een reeks publicaties van auteurs die betrokken zijn, of zijn geweest, bij het Archief en Documentatiecentrum van de Nederlandse Psychologie (ADNP) te Groningen. In 2001 verscheen bijvoorbeeld uit deze hoek het boek over 75-jarige geschiedenis van de Nederlandse Stichting voor Psychotechniek, dat niet alleen de geschiedenis van dit instituut beschrijft, maar ook de professionalisering van het vakgebied, de ontwikkeling van de onderzoeksmethoden en enkele interessante biografische portretten bevat van Nederlandse pioniers in de psychotechniek (Van Strien & Dane, 2001). In dit laatste boek staat, zoals de redacteuren stellen, de verhaallijn voorop. Daarvoor is gebruikt gemaakt van uiteenlopende bronnen: publicaties en ander schriftelijk materiaal, foto’s en ook informatie uit interviews bij betrokkenen. Dat heeft geleid tot een uiterst boeiend boek.

Het ADNP blijkt dit concept tot zijn handelsmerk te maken. Voor het boek over de geschiedenis van de SON-test is eenzelfde soort procedure gevolgd. Als historicus van de psychologie beschrijft Van Drunen nauwkeurig de ontwikkelingen van de SON-tests van het prille begin, de eerste versie voor dove kinderen ten tijde van de promotie van Nan Snijders-Oomen in 1943, tot de huidige stand van zaken, de plannen voor een revisie van de SON tot een breed inzetbare Europese test voor een leeftijdsbereik van 6 tot 60 jaar. De verhaallijn is een vervlechting van het feitelijk verloop van de constructie en de verschillende revisies van de test, met daarin de centrale rol van het echtpaar Snijders, en de voortschrijdende wetenschappelijke opvattingen over het begrip intelligentie en de psychometrische eisen voor psychologische meetinstrumenten. Dat maakt dat het boek meer biedt dan een aardige historische schets, verluchtigd met fraaie nostalgische plaatjes, zoals we die allemaal kennen van onze vroegere school of dorp. Van Drunen is niet zomaar een historicus, maar een historicus van de psychologie. Hij laat zien hoe de algemene discussie na de Tweede Wereldoorlog tussen meer klinisch georiënteerde testgebruikers enerzijds en psychometrisch geschoolde testconstructeurs anderzijds, ook bij de revisies van de SON-tests een rol speelde. De oerversie van de SON was vooral bedoeld om aan de hand van een aantal proefjes de schoolgeschiktheid van dove kinderen te onderzoeken. Leidend principe was dat de test verschillende aspecten van de intelligentie zou weergeven en daarnaast de mogelijkheid bood kinderen tijdens de testafname te observeren. Bij de eerste revisie in 1958 bleef dit principe gehandhaafd, maar er vond, in overeenstemming met de eisen van de tijd, wel een omvangrijke ijking van de test bij horenden en doven plaats.

Bij de revisie in 1975 liepen de wegen uiteen. De versie voor jonge kinderen, de kleuter-SON, volgde nog het spoor van de voorgangers, maar bij de Starren-SON voor oudere kinderen stond de psychometrisch stroomlijning van de test voorop. Het ging Starren hoofdzakelijk om een zo objectief mogelijke meting van de intelligentie en subjectief geachte observaties zouden daaraan afbreuk doen. Het hoofdstuk over de Starren-SON, door Van Drunen Scheiding der geesten genoemd, vormt in de opbouw van het boek een welhaast dramatische wending in de geschiedenis van de test. De Starren-SON heeft het op lange termijn niet gehaald, maar Van Drunen maakt duidelijk dat deze vanuit een historisch gezichtspunt een belangrijke schakel in de ontwikkeling van de SON-tests is geweest. In de volgende 1988-versie van de SON voor oudere kinderen en de revisie van de kleuterversie in 1998, werden de klinische aspecten uit de beginjaren gecombineerd met een aantal psychometrische vernieuwingen.

Het aardige van de manier waarop Van Drunen de gegevens presenteert is, dat hij zelf geen oordeel velt, maar de lezer voldoende materiaal biedt om dat zelf te kunnen doen. Zo beoordeelt hij niet zelf de kwaliteiten van de SON-tests, maar neemt voor elke gereviseerde versie de toenemende gunstige beoordelingen van de COTAN op.
Het boek biedt geen vergelijking met andere Nederlandse intelligentietests. Dat was niet het doel van het boek, hoewel die vraag wel intrigeert. Ook de Wechslertests kennen een ontwikkelingsgeschiedenis in Nederland, evenals de GIT, de RAKIT en de Bayley Ontwikkelingsschalen, om maar wat te noemen.

De gevalsbeschrijving van de SON laat zien, hoe een samenloop van omstandigheden – de gedrevenheid van de initiatiefnemers, de opkomst van de wetenschappelijke testtheorie – de ontwikkeling van een testreeks als de SON mogelijk maakte. Maar ook de niet door Van Drunen genoemde financieringsmogelijkheden van grootschalige Nederlandse ijkingsonderzoeken in de jaren 1960 tot 1980, heeft hier ongetwijfeld aan bijgedragen. Het is nog maar de vraag of een dergelijke testreeks in het huidige subsidieklimaat een kans zou hebben gekregen. Het verhaal over de SON-tests toont duidelijk, dat deze maar ook andere succesvolle Nederlandse tests of testbewerkingen de mogelijkheid verdienen hun kwaliteit te verbeteren of op zijn minst te behouden.

Verdwaald in de nachtelijke weilanden van Baarderadeel, kon ik in 1970 nog niet weten dat dit deel uitmaakte van de ontwikkeling van een van de bekendste testreeksen uit de geschiedenis van de Nederlandse intelligentietests. Gebruikers van tests zouden – naast de wetenschappelijke verantwoording in de handleiding – eigenlijk ook wat meer informatie moeten krijgen over de manier waarop tests praktisch gezien tot stand komen. Dat relativeert aan de ene kant enigszins wat ze aan het meten zijn, maar geeft aan de andere kant inzicht in de integriteit waarmee testconstructeurs naar beste eer en geweten hun instrumenten hebben ontwikkeld. Het boek van Van Drunen levert een fraai voorbeeld van het soort achtergrondgegevens, dat zowel vanuit historische nieuwsgierigheid aantrekkelijk is om te lezen, als ook de beoordeling van de wetenschappelijke merites van de huidige SON-tests ten goede komt. Het boek illustreert daarnaast het belang van een instelling als het ADNP, dat niet alleen interessant en belangwekkend materiaal probeert te behouden, maar met publicaties als deze, huidige en toekomstige psychologen de helpende hand biedt om vanuit een historisch perspectief te reflecteren op hun beroepsuitoefening en de daarbij gebruikte methoden.

Mw dr. M. van der Meulen is als universitair docent verbonden aan de vakgroep Klinische Psychologie en Ontwikkelingspsychologie van de Rijksuniversiteit Groningen. E-mail: <m.van.der.meulen-van.dijk@ppsw.rug.nl

Literatuur
Strien, P.J. van & Dane, J. (red.) (2001). Driekwart eeuw Psychotechniek in Nederland. De magie van het testen. Assen: Koninklijke Van Gorcum.


to top to top to top to top

homepage T&T homepage SON-tests