De COTAN en de WISC-III De COTAN en de WISC-III Verkoop WISC-III stopgezet Verkoop WISC-III voorlopig stopgezet Beoordeling WISC-III volgens COTAN-normen Beoordeling WISC-III volgens COTAN
WISC-III NDC aan gebruikers NDC aan gebruikers WISC-III De normering Normering WISC-III: representativiteit WISC-III Opmerkingen en Suggesties Handleiding WISC-III: opmerkingen
WISC-III Een illusie armer De WISC-III; Een illusie armer Afname WAIS-III of WISC-III? Afname WAIS-III of WISC-III? Steekproef WISC-III schiet te kort Steekproef WISC-III schiet te kort
Het herstel van de WISC-III Het herstel van de WISC-III De COTAN-beoordeling 2003 WISC-III De COTAN-beoordeling 2003 WISC-III de WISC-IV De WISC-IV
De aangepaste normen van de WISC-III De aangepaste normen van de WISC-III Critici WISC-III in het ongelijk gesteld Critici WISC-III in het ongelijk gesteld Boom stopt distributie WISC-III Boom stopt distributie WISC-III
Enquête toekomst WISC-III Enquête toekomst WISC-III Representatieve normen WISC-III van de baan Representatieve normen van de baan Hoe retourneer ik de WISC-III? Hoe retourneer ik de WISC-III?
Nieuwe CBS-tabel ontkracht WISC-III normen CBS-tabel ontkracht WISC-III normen Derde versie normen WISC-III Derde versie normen WISC-III .


Dit artikel is ook te downloaden als Word document: klik.

Nieuwe CBS-tabel geeft uitsluitsel over representativiteit WISC-IIINL normen

Peter Tellegen

Persoonlijkheids- en Differentiële Psychologie, RuG

6 december 2004


Sinds het verschijnen van de WISC-III NL is de representativiteit van de normgroep ter discussie gesteld. De kritiek richtte zich met name op het opleidingsniveau van de Nederlandse normgroep van 13-16 jaar.
De oorspronkelijke normgroep, die volgens de auteurs van de WISC-III op grond van CBS-gegevens gestratificeerd was naar opleidingsniveau, bestond bij de oudste leeftijdsgroepen voor 60% uit havo/vwo-leerlingen.
Door ons werd echter, eveneens op grond van CBS-gegevens, geconcludeerd dat dit 36 à 38% moet zijn. Een jaar geleden kwam een aangepaste normering uit voor de WISC-III waarbij werd gesteld dat volgens het CBS het percentage havo/vwo-leerlingen bij 13-15 jaar gelijk is aan 42% en dat dit bij de 16-jarigen 48% is.
Om aan de verwarring een eind te maken hebben wij het CBS verzocht een zo volledig mogelijke tabel samen te stellen waarbij alle relevante gegevens over opleidingstype vermeld zijn voor de leeftijd van 12, 13, 14, 15 en 16 jaar. De tabel heeft betrekking op het schooljaar 2000/2001, het jaar waarin de normgegevens van de WISC-III zijn verzameld.
Op grond van deze tabel kan ondubbelzinnig een uitspraak worden gedaan over de representativiteit van de huidige normgroep van de WISC-III NL.


De normpopulatie

In de handleiding van de WISC-III NL (Kort, Compaan, Bleichrodt, Resing, Schittekatte, Bosmans, Vermeir & Verhaeghe, 2002) wordt de populatie gedefiniëerd als alle kinderen in Nederland en Vlaanderen van een specifieke leeftijd waarbij bij de uitvoering van het onderzoek twee restricties zijn gehanteerd:

  1. Kinderen met een ernstige verstandelijke of lichamelijke beperking zijn buiten de steekproef gehouden.
  2. Kinderen dienen tenminste 6 jaar in Nederland of Vlaanderen te wonen.

De huidige normgroep

De steekproef is volgens de informatie in de handleiding gestratificeerd naar schooltype en opleidingsniveau. Hierbij wordt in Nederland een onderscheid gemaakt naar basisonderwijs en speciaal onderwijs en binnen het voortgezet onderwijs naar niveau (praktijkonderwijs, vmbo inclusief lwoo, mbo, havo en vwo). In de handleiding van de WISC-III staan geen gegevens over de samenstelling van de oorspronkelijke normgroep naar schooltype. Bij de publicatie van de aangepaste normering zijn voor de leeftijd van 13-16 jaar wel gegevens verstrekt (NDC, 2003, tabel 2.5.2). Deze zijn hier voor de Nederlandse kinderen weergegeven in tabel 1.

Tabel 1: Verdeling Nederlandse kinderen van 13 jaar en ouder in de
aangepaste WISC-III normgroep naar leeftijd en schooltype
schooltype leeftijd

13 jaar 14 jaar 15 jaar 16 jaar

lwoo 8 7 7 2
vmbo 38 40 40 39

havo/vwo 34 36 - -
havo - - 22 22
vwo - - 14 17

totaal 80 83 83 80

CBS-gegevens

Bij de presentatie van de nieuwe normgegevens vermeldt het NDC (NIP-Dienstencentrum) dat de steekproef is gestratificeerd op grond van CBS-gegevens. Volgens het NDC geven deze gegevens aan dat in de populatie het percentage havo/vwo-leerlingen voor de leeftijdsgroepen van 13-15 jaar 42% bedraagt en voor de 16-jarigen 48%. In de steekproef zijn de percentages respectievelijk 43 en 49%. Op het eerste gezicht komt de huidige normgroep van de WISC-III dus goed overeen met de populatie. Het probleem is echter dat de CBS-tabel voor voortgezet onderwijs naar leerjaar, waaraan de auteurs van de WISC-III refereren, niet alle relevante onderwijsvormen omvat. Voor de stratificatie naar onderwijsvormen dient men ook rekening te houden met het basisonderwijs, het speciaal onderwijs en, bij de 16-jarigen, met het middelbaar beroepsonderwijs. Op grond van verschillende analyses waarbij dit wel is gedaan, kwamen we tot percentages havo/vwo-leerlingen in de populatie van respectievelijk 38% (Tellegen, 2002a), 36% (Tellegen, 2003a) en 37% (Tellegen, 2004a).

De nieuwe CBS-tabel

Om een einde te maken aan de verwarring over wat nu de 'juiste' CBS-gegevens zijn, is het CBS gevraagd een tabel te maken die toegespitst is op de vraagstelling bij de normering van de WISC-III. Verzocht is om een tabel samen te stellen met betrekking tot het schooljaar 2000/2001 (het schooljaar waarin het grootste deel van het normeringsonderzoek is uitgevoerd) waarbij per leeftijdsjaar van 12 tot en met 16 jaar van de gehele populatie een zo compleet mogelijk overzicht wordt gegeven van de onderwijssituatie. In de bijlage bij dit artikel is deze tabel weergegeven. In tabel 2 wordt een overzicht gegeven van de aantallen leerlingen per categorie waarbij een aantal onderwijsvormen zijn samengenomen.

Tabel 2: Indeling onderwijsniveau naar leeftijd (CBS 2000/2001): absolute aantallen
onderwijsniveau leeftijd in jaren (meetmoment 31/12/2000)

12 jaar 13 jaar 14 jaar 15 jaar 16 jaar

gemeenschappelijk leerjaar
1 en 2 voortgezet onderwijs
105.420 176.070 84.790 14.650 3.920
havo/vwo 3+ 20 820 49.560 66.880 64.910
vmbo (incl. lwoo) 3+ 10 130 47.470 95.450 61.810
mbo - - - 180 42.456
speciaal onderwijs 10.900 8.250 7.070 5.880 4.460
basisonderwijs 72.060 1.880 120 - -

totaal 188.410 187.150 189.010 183.040 177.556
expertisecentra 3.400 3.100 3.300 3.600 3.100
niet in CBS-tabel 1.910 4.240 810 1.480 4.814

totale bevolking 193.720 194.490 193.120 188.120 185.470

- Binnen de leerjaren 1 en 2 van het voortgezet onderwijs maakt het CBS geen onderscheid naar schoolsoorten.
- Voor de leerjaren 3 en hoger zijn havo en vwo samengenomen, evenals de verschillende onderdelen van het vmbo (mavo, vbo en lwoo).
- Het mbo is een samenvoeging van de voltijd beroepsopleidende leerweg en van de beroepsbegeleidende leerweg.
- Het speciaal onderwijs omvat hier het praktijkonderwijs, het speciaal voortgezet onderwijs (lom en mlk) en het speciaal basisonderwijs.

In de handleiding van de WISC-III wordt gesteld dat men bij het speciaal onderwijs het onderzoek beperkt tot lom-leerlingen hetgeen zou impliceren dat mlk-leerlingen buiten beschouwing blijven. Dit is echter geen verantwoorde keuze. Juist voor deze categorie kinderen is de afname van een test zoals de WISC vaak geïndiceerd en een afname is goed mogelijk. Zowel bij de WISC-R (Vander Steene et al., 1986) als bij de SON-R 5.5-17 (Snijders, Tellegen & Laros, 1988) maken zowel de lom- als de mlk-leerlingen deel uit van de normgroep. Daarom wordt deze (relatief kleine) groep hier wel tot de populatie gerekend.
De categorie leerlingen die valt onder de expertisecentra is in tabel 2 apart vermeld. Het gaat hierbij onder meer om dove en blinde kinderen en kinderen met ernstige gedragsproblemen. Dit is een relatief kleine en heterogene categorie kinderen die veelal met gebruikelijke tests niet of moeilijk te testen zijn. Het betreft ongeveer 1,7% van de populatie. Bij de opzet van het normeringsonderzoek van de WISC-III zijn zij buiten beschouwing gebleven. Het is niet zo bezwaarlijk om deze groep niet bij de normering te betrekken omdat zij als groep niet gekenmerkt worden door sterk afwijkende intelligentiescores.

Tenslotte ontbreekt in de tabel van het CBS ongeveer 1,4% van de totale populatie. Dit zijn bijvoorbeeld ernstig lichamelijk of verstandelijk gehandicapte kinderen die niet aan het reguliere onderwijs deelnemen. Het is gebruikelijk om deze kinderen niet bij de normering van een intelligentietest te betrekken. Het zou echter aan te bevelen zijn om dat in de toekomst wel te gaan doen aangezien kinderen met ernstige verstandelijke handicaps de onderkant van de scoreverdeling definiëren. Men zou hiermee bij de transformatie van testscores naar de normaalverdeling rekening kunnen houden zonder dat het noodzakelijk is dat bij deze categorie de test wordt afgenomen.
De samenstelling van de normpopulatie die hierna wordt beschreven heeft als gevolg van de selectie betrekking op circa 97% van de totale leeftijdspopulatie. Hierbij dient aangetekend te worden dat ook de CBS-getallen een benadering zijn en niet altijd exact kunnen worden berekend.

Verdeling onderwijsniveau in de populatie

In tabel 3 is voor de leeftijd van 13 tot en met 16 jaar de verdeling naar onderwijsniveau in de populatie weergegeven. Bij deze uitkomsten kunnen een aantal opmerkingen worden gemaakt:

  • In het algemeen zitten de 13-jarigen in de tweede klas van het voortgezet onderwijs, de 14- jarigen in de derde klas, etc. De 'late' leerlingen (leerlingen die in oktober, november en december jarig zijn) zitten echter een of meer klassen lager, evenals de zittenblijvers of leerlingen die laat instromen. De 14-jarigen die nog in het gemeenschappelijke eerste of tweede leerjaar zitten (45%) bestaan voor ongeveer de helft uit 'late' leerlingen en verder uit zittenblijvers en leerlingen die later zijn ingestroomd.
  • Het percentage leerlingen in een vorm van speciaal onderwijs neemt met de leeftijd af. Dit komt omdat leerlingen van het speciaal basisonderwijs voor een deel doorgaan naar het praktijkonderwijs maar voor een ander deel naar het vmbo, veelal de basisberoepsgerichte leerweg met ondersteuning (lwoo).
  • Vanaf 16 jaar wordt het middelbaar beroepsonderwijs, mbo, belangrijk. Dit zijn leerlingen die het vmbo in vier jaar hebben afgerond.

Tabel 3: Indeling onderwijsniveau naar leeftijd in de populatie
volgens de CBS-gegevens (2000/2001)
onderwijsniveau leeftijd in jaren (meetmoment 31/12/2000)

13 jaar 14 jaar 15 jaar 16 jaar

gemeenschappelijk leerjaar
1 en 2 voortgezet onderwijs
94.1 % 44.9 % 8.0 % 2.2 %
havo/vwo 3+ 0,4 % 26.2 % 36.5 % 36.6 %
vmbo (incl. lwoo) 3+ 0,1 % 25.1 % 52.1 % 34.8 %
mbo - - 0.1 % 23.9 %
speciaal onderwijs 4.4 % 3.7 % 3.2 % 2.5 %
basisonderwijs 1.0 % 0.1 % - -

totaal 100 % 100 % 100 % 100 %

Aangezien voor de eerste twee leerjaren van het voortgezet onderwijs in dit overzicht geen onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds havo/vwo en anderzijds het vmbo is het lastig om te beoordelen hoe per leeftijdsjaar de afzonderlijke percentages voor deze groepen zijn. Voor de 16-jarigen is dit echter nauwelijks een probleem aangezien slechts 2,2% in een gemeenschappelijk leerjaar zit. Omdat de meeste 16-jarigen in de vijfde klas zitten is het aannemelijk dat gezien hun leeftijd het merendeel van deze leerlingen, die in het gemeenschappelijk eerste of tweede jaar zitten, behoren tot het vmbo. Hetzelfde geldt voor de 15-jarigen in een gemeenschappelijk leerjaar. Dit betekent dan voor de 15- en 16-jarigen dat 37 à 38% onderwijs volgt op havo/vwo-niveau; 59 à 60% op vmbo/mbo-niveau en dat 3% valt binnen het speciaal onderwijs.

Ofschoon dit niet nauwkeurig kan worden aangegeven omdat in de eerste en tweede klas veel leerlingen in niet-gedifferentieerde klassen zitten, kan op grond van de indeling bij de oudere leerlingen geconcludeerd worden dat bij de 13- en 14-jarigen ongeveer 38% op havo/vwo-niveau onderwijs volgt, 57% op vmbo-nivau, 4% speciaal onderwijs en dat 1% nog op de basisschool zit.

Voor het totaal van de leeftijdsgroepen van 13 tot en met 16 jaar komen we tot de volgende conclusie over de verdeling naar onderwijsniveau in de populatie: havo/vwo 38%; vmbo/mbo 58% en speciaal onderwijs (incl. basisonderwijs) 4% (zie tabel 6). Deze verdeling die aan de leeftijd is gerelateerd komt redelijk goed overeen met de verdeling die eerder was geschat op grond van de situatie in het derde leerjaar (Tellegen, 2003a). Daarbij waren de percentages respectievelijk 36.3, 60.2 en 3.5%.

De oorspronkelijke normgroep van de WISC-III NL

In de handleiding van de test wordt geen overzicht gegeven van de samenstelling van de normgroep naar opleidingsniveau. Op verzoek heeft de projectleidster deze indertijd aan ons verstrekt (zie Tellegen, 2003a). In tabel 4 is de indeling weergegeven voor de Nederlandse leeftijdsgroepen van 13 t/m 16 jaar. Bij de 13-jarigen waren 5 leerlingen in een brugklas mavo/havo. Voor de samenstelling van deze tabel zijn twee leerlingen ondergebracht bij de categorie havo/vwo en drie leerlingen bij het vmbo.

Tabel 4: Samenstelling van de oorspronkelijke normgroep van de WISC-III NL
onderwijsniveau leeftijd in jaren

13 jaar 14 jaar 15 jaar 16 jaar
(N=68) (N=86) (N=76) (N=72)

havo/vwo 52.9 % 50.0 % 60.5 % 58.3 %
vmbo (incl. lwoo) 42.6 % 50.0 % 38.2 % 12.5 %
mbo - - - 26.4 %
speciaal onderwijs 1.5 % 0.0 % 1.3 % 2.8 %
basisonderwijs 2.9 % - - -

totaal 100 % 100 % 100 % 100 %

Uit de tabel blijkt dat het percentage havo/vwo in alle groepen veel te hoog is. In extreme mate geldt dit voor de 15- en 16-jarigen. Het speciaal onderwijs en het basisonderwijs is wel vertegenwoordigd maar het aandeel (gemiddeld 2%) is duidelijk te laag. Het percentage vmbo/mbo is ook te laag, vooral bij de oudere leeftijden. Het percentage mbo bij 16 jaar is wel conform de populatiegegevens. Gemiddeld over de leeftijdsgroepen is de samenstelling: havo/vwo 55.4%; vmbo/mbo 42.4% en speciaal onderwijs (incl. basisonderwijs) 2.1%.

De huidige (aangepaste) normgroep van de WISC-III NL

In tabel 1 staan voor de aangepaste normgroep van de Nederlandse leerlingen vanaf 13 jaar de aantallen leerlingen per leeftijdsjaar en onderwijstype. Hieronder in tabel 5 worden deze gegevens als percentage per leeftijdsjaar gepresenteerd waarbij enerzijds havo en vwo zijn samengenomen en anderzijds de leerlingen van het lwoo samen zijn genomen met de andere leerlingen van het vmbo.

Tabel 5: Samenstelling huidige (aangepaste) normgroep van de WISC-III NL
onderwijsniveau leeftijd in jaren

13 jaar 14 jaar 15 jaar 16 jaar
(N=80) (N=83) (N=83) (N=80)

havo/vwo 42.5 % 43.4 % 43.4 % 48.8 %
vmbo (incl. lwoo) 57.5 % 56.6 % 56.6 % 51.3 %
mbo - - - 0.0 %
speciaal onderwijs 0.0 % 0.0 % 0.0 % 0.0 %
basisonderwijs 0.0 % - - -

totaal 100 % 100 % 100 % 100 %

Uit de vergelijking van de gegevens in tabel 5 met de CBS-gegevens blijkt duidelijk dat het percentage havo/vwo over alle leeftijden nog te hoog is. Bij de 13-15 jarigen is dit ongeveer 5% te hoog en bij de 16-jarigen is dit 12% te hoog. Het percentage vmbo is redelijk voor de 13-15 jarigen. Het percentage is echter te hoog bij de 16-jarigen terwijl de categorie mbo die bij deze leeftijd zeer belangrijk is, geheel ontbreekt. Verder ontbreken in alle leeftijdsgroepen leerlingen van het speciaal onderwijs en in de jongste leeftijdsgroep ook leerlingen van het basisonderwijs. Gemiddeld over de leeftijdsgroepen is de samenstelling: havo/vwo 44.5%; vmbo/mbo 55.5% en speciaal onderwijs (incl. basisonderwijs) 0.0%.

Evaluatie representativiteit normgroep WISC-III NL

In tabel 6 wordt een overzicht gegeven van de verdeling naar niveau in de populatie zoals deze door ons aan de hand van de CBS-gegevens is vastgesteld en de vergelijkbare gegevens voor de oorspronkelijke normgroep en de huidige normgroep van de WISC-III NL. De vergelijking heeft betrekking op de gemiddelde waarden van de vier Nederlandse leeftijdsgroepen van 13-16 jaar.

Tabel 6: Vergelijking van normgroepen met populatie,
naar onderwijsniveau, 13-16 jaar
onderwijsniveau populatie WISC-III NL

oorspronkelijke
normgroep
huidige
normgroep

havo/vwo 38 % 55.4 % 44.5 %
vmbo (incl. lwoo) 58 % 42.4 % 55.5 %
speciaal onderwijs (incl. basisonderwijs) 4 % 2.1 % 0.0 %

totaal 100 % 100 % 100 %

In de oorspronkelijke normgroep was het percentage havo/vwo veel te hoog. Het is dan ook onbegrijpelijk dat de auteurs in de handleiding meenden te kunnen stellen dat de normgroep naar opleidingsniveau representatief was en zo goed mogelijk gestratificeerd volgens CBS-gegevens. Dit is des te meer verwonderlijk daar men wel degelijk op de hoogte was dat de steekproef niet representatief was. Toen we navraag deden naar de ogenschijnlijk vreemde samenstelling kregen wij van de projectleidster het volgende antwoord (e-mail van E. Compaan, 3/9/2002, zie Tellegen 2002b):

"Wat betreft de oververtegenwoordiging van havo/vwo in de 4 jaargroepen 13,5 t/m 16,5 jaar: de verhouding is ongeveer 50:50 in plaats van 40:60 voor havo/vwo:vmbo, dit is gecompenseerd door in Vlaanderen extra kinderen met een laag niveau te testen."

Dat de afwijkende samenstelling niet in de handleiding werd vermeld, en dat daarentegen de suggestie werd gewekt dat de normgroep wel representatief was, is zeer misleidend. Zelfs in een recent verschenen handboek diagnostiek (De Zeeuw, Dekker & Resing, 2004) wordt nog het volgende gesteld (pagina 96):

"De WISC-III NL is in 2002 genormeerd op een representatieve steekproef van 878 Nederlandse en 353 Vlaamse kinderen, gespreid naar regio, urbanisatiegraad, sekse en schooltype."

Pas na veel publiciteit, een negatief COTAN-oordeel (COTAN, 2004), en nadat het NDC had besloten de verkoop voorlopig stil te leggen (zie Tellegen, 2003b), is men bereid geweest te erkennen dat de normering verbeterd diende te worden. Met deze verbetering is echter wel iets merkwaardigs aan de hand. Het percentage havo/vwo is wel verminderd maar nog steeds te hoog in vergelijking tot de populatie. En het is ook nog steeds hoger dan het percentage van 40% dat de auteurs van de WISC-III blijkbaar als juist beschouwden toen de handleiding werd uitgebracht. Wat echter onbegrijpelijk is, is dat de leerlingen van het speciaal onderwijs en van het basisonderwijs, die eerst wel in de normgroep vertegenwoordigd waren, nu in de aangepaste normgroep niet meer voorkomen. Eerst waren ze ondervertegenwoordigd, nu zijn ze geheel verdwenen. Dit heeft voor de normering ernstige consequenties omdat deze leerlingen de onderkant van de scoreverdeling vormen. Als gevolg hiervan krijgen kinderen in de range van 50-80 veel te lage IQ-scores (zie Tellegen, 2002c). Eveneens is het merkwaardig dat de mbo-leerlingen blijkbaar uit de normgroep zijn verwijderd. Het weglaten van al deze groepen is onbegrijpelijk omdat ze in de handleiding expliciet worden genoemd als onderdeel van de normpopulatie. Aangezien de auteurs de afgelopen tweeënhalf jaar stelselmatig hebben nagelaten om informatie te geven omtrent de uitvoering van het normeringsonderzoek, kan men alleen maar gissen naar de reden. Een mogelijke verklaring luidt als volgt:

De auteurs hebben bij de hernormering bewust de groep speciaal onderwijs, die de onderkant van de intelligentieverdeling vertegenwoordigt, weggelaten omdat daardoor de verandering van de nieuwe normen ten opzichte van de oorspronkelijke normen niet zo groot zou zijn. Door namelijk niet alleen minder leerlingen te testen op havo/vwo-niveau, maar door ook geen leerlingen te testen van het speciaal onderwijs en van het mbo, zou de gemiddelde score van de oudere leeftijdsgroepen niet ingrijpend veranderen. Hierdoor kon men de indruk wekken dat de betekenis van de gebreken van de oorspronkelijke normering beperkt was.

De problemen bij de normering beperken zich niet tot de Nederlandse normgroep vanaf 13 jaar. De belgische projectleider heeft laten weten dat in Vlaanderen bij het voortgezet onderwijs geen leerlingen zijn getest die eerder eens waren blijven zitten. Dit heeft gevolgen voor de normering. Uit het onderzoek met de NIO (Van Dijk & Tellegen, 2004) blijkt dat in Nederland in de tweede klas van het voortgezet onderwijs 26% van de leerlingen een klasachterstand heeft van één of meer jaren. De gemiddelde totaalscore van deze leerlingen is 11.1 punt lager dan de gemiddelde score van de leerlingen die nooit hebben gedoubleerd. Het betrof hier klasgenormeerde scores in plaats van leeftijdgenormeerde scores waardoor het verschil in IQ-scores tussen beide groepen nog onderschat wordt. Indien de situatie in Vlaanderen met de situatie in Nederland vergelijkbaar is, dan betekent dit dat door deze selectie het IQ van de normgroep van het voortgezet onderwijs in Vlaanderen met tenminste 3 punten wordt overschat. Voor de normering betekent dit dat alleen al als gevolg hiervan de IQ-scores met tenminste 3 punten te laag uitvallen als de normering op deze Vlaamse subgroep betrekking zou hebben.

Gezien de problemen met de samenstelling van de Nederlandse normgroep bij het voortgezet onderwijs, is het ook gewenst dat zorgvuldig wordt nagegaan of de overeenkomstige Vlaamse steekproef representatief is naar opleidingsniveau.
Verder ontbreken tot nu toe, tweeënhalf jaar na het uitbrengen van de test, gegevens die duidelijk kunnen maken of de steekproef bij het basisonderwijs wel zorgvuldig is getrokken. Er zijn geen gegevens waaruit valt op te maken of de steekproef met betrekking tot de proportie speciaal onderwijs, klasachterstand, de allochtone achtergrond of het opleidingsniveau van de ouders representatief is.

Ons zijn ook berichten ter ore gekomen waaruit we moeten concluderen dat de data zijn gemanipuleerd. Zo liet de statisticus die de normering heeft uitgevoerd weten dat hij vermoedde dat soms gegevens ontbraken over de juiste leeftijd en dat in die gevallen de indeling in de leeftijdsgroep werd gebaseerd op de klas waarin de leerling zat. Dit zou betekenen dat de mededeling in de handleiding dat alle kinderen getest zijn binnen een uiterste grens van zes weken ten opzichte van de leeftijd van x jaar en 6 maanden niet correct is. Dit schuiven met de leeftijden zou naar de mening van de statisticus de oorzaak zijn dat de leeftijdsindeling bij de normering in veel gevallen afweek van de aantallen die oorspronkelijk in de handleiding waren vermeld.
De twijfels over de samenstelling van de normgroep zijn voor de hoogleraar psychometrie van de universiteit Groningen aanleiding geweest om inzage te vragen in de basisgegevens van het normeringsbestand. Dit is echter geweigerd ofschoon de projectleider eerder had verklaard dat deze gegevens te koop waren (zie Köhler, 2002). Een commissie van drie deskundigen die door het NDC was ingesteld om duidelijkheid te scheppen inzake de kwaliteit van de test kreeg op haar verzoek ook geen inzage in het normeringsbestand. De auteurs bleken namelijk niet in staat dit bestand te leveren. Er waren verschillende normbestanden in omloop die niet met elkaar correspondeerden en die niet overeen kwamen met de beschrijving (De Boeck, Kamphuis & lutje Spelberg, 2003).

Deze gang van zaken is voor het NDC aanleiding geweest de projectleider te ontslaan (zie Tellegen, 2004b). Aangezien het bestand waarop de huidige normering van de WISC-III NL is gebaseerd, niet meer achterhaald kon worden, stelde het NDC voor om opnieuw een aanpassing van de normering uit te voeren waarbij de gegevens vanaf de oorspronkelijke scoreformulieren zouden worden ingevoerd. Door bezwaren van Harcourt, de uitgever van de WISC-III, is dit plan niet gerealiseerd. In plaats daarvan heeft Harcourt ervoor gekozen om samen met de eerder wegens incompetentie ontslagen projectleider een nieuwe handleiding te maken waarbij de ondeugdelijke normering van vorig jaar wordt gehandhaafd (zie Tellegen, 2004d).

Het kan zijn dat niet alle auteurs van de WISC-III NL (Kort, Schittekatte, Compaan, Bosmans, Bleichrodt, Vermeir, Resing en Verhaeghe) op de hoogte waren van hoe een en ander bij de normering is verlopen. Inmiddels is de aangepaste normering echter al meer dan een jaar oud en de tekortkomingen zijn uitgebreid beschreven (Tellegen, 2003a, 2004c). Maar tot nog toe heeft geen der auteurs, noch het NDC, noch het bestuur van het NIP, openlijk willen verklaren dat de huidige normering niet in orde is. Blijkbaar gaat men er zelfs mee akkoord dat deze inadequate normering in de nieuw te verschijnen handleiding zal worden opgenomen (zie de brief van Harcourt aan de gebruikers van de WISC-III NL; McKeown, 2004).

Men kan natuurlijk stellen dat de uitgave van een test een commerciële aangelegenheid is waarvoor wetenschappelijke normen niet gelden. Toch lijkt ons dat misleiding bij de presentatie van een belangrijke intelligentietest, ook al gebeurt dit in een commerciële context, niet acceptabel is.
Het meest schrijnend van dit alles is echter dat het feit dat een ondeugdelijk genormeerde test tot meer onjuiste beslissingen leidt, minder belangrijk lijkt te zijn dan het handhaven van het eigen gelijk tegen beter weten in. Daarmee wordt het doel van de diagnostiek, het dienen van het belang van het kind, verloochend, verliest de psychologie haar wetenschappelijk karakter en de psycholoog zijn integriteit.


Bijlage

Tabel op verzoek van de Rijksuniversiteit Groningen opgemaakt door het CBS (24/11/2004)


Literatuur

Boeck, P. de, Kamphuis, H.J. & Spelberg, H. Lutje (2003). Commissie WISC-III. Beoordeling Nederlandstalige WISC III. Amsterdam: NIP-Dienstencentrum.

COTAN (2004). Documentatie van Tests en Testresearch in Nederland. Aanvulling 2004/01. Amsterdam: Boom test uitgevers.

Dijk, H. van & Tellegen, P.J. (2004). NIO, Nederlandse Intelligentietest voor Onderwijsniveau. Handleiding en Verantwoording. Amsterdam: Boom test uitgevers.

Köhler, W. (2002). Niet zo slim. Critici hekelen normering van nieuwe intelligentietests. NRC- Handelsblad: 14-12-2002.

Kort, W., Compaan, E.L., Bleichrodt, N., Resing, W.C.M., Schittekatte, M., Bosmans, M., Vermeir, G. & Verhaeghe, P. (2002). WISC-III NL. Handleiding. London: The Psychological Corporation.

McKeown, P. (2004). Betreft WISC-III NL.

NDC (2003). Errata en Normtabellen WISC-III NL. Amsterdam: NIP-Dienstencentrum.

Snijders, J.Th, Tellegen, P.J. & Laros, J.A. (1988). Snijders-Oomen niet-verbale intelligentietest SON-R 5.5-17. Verantwoording en Handleiding. Groningen: Wolters-Noordhoff.

Tellegen, P.J. (2002a). De WISC-III NL. Een illusie armer. De Psycholoog, 37, 607-610.

Tellegen, P.J. (2002b). Correspondentie WISC-III NL, 17/9/2001-20/11/2002. Intern: RuG.

Tellegen, P.J. (2002c). De kwaliteit van de normen van de RAKIT.

Tellegen, P.J. (2003a). De steekproef van de WISC-III NL bij het Voortgezet Onderwijs schiet te kort.

Tellegen, P.J. (2003b). Verkoop van de WISC-III NL voorlopig stopgezet.

Tellegen, P.J. (2004a). De aangepaste normen van de WISC-III NL.

Tellegen, P.J. (2004b). Opkomst en ondergang van het NDC (NIP-Dienstencentrum).

Tellegen, P.J. (2004c). Critici van de WISC-III NL in het ongelijk gesteld.

Tellegen, P.J. (2004d). Representatieve normen voor de WISC-III NL zijn van de baan.

Vander Steene, G. et al. (1986). WISC-R Nederlandstalige uitgave. Verantwoording. Lisse: Swets & Zeitlinger.

Zeeuw, J. de, Dekker, R. & Resing, W.C.M. (2004). Algemene Psychodiagnostiek I. Testmethoden. Geheel herziene druk. Leiden: PITS.

to top to top to top to top

homepage T&T homepage SON-tests