Betreft: behandeling rassentheorie
Aan het College van Bestuur
t.a.v. prof.dr. W.A.Gispen
Heidelberglaan 8
De Uithof, Utrecht
Geachte heer Gispen,
Uw brief van 5 december j.l. heb ik in goede orde ontvangen. Dank u wel voor deze reactie van het College van Bestuur, waarin u beschrijft aan welke eisen het universitair onderwijs moet voldoen. De door u omschreven kwaliteitseisen voor academisch onderwijs (met betrekking tot rasverschil) onderschrijf ik volledig.
Ik ben blij dat u ze in het kader van deze zaak heeft willen expliceren.
Echter in uw brief trof ik geen oordeel aan over het specifieke onderwijs over de rassentheorie van Rushton, zoals dat door de (inmiddels vertrokken) heer Kalma is gegeven binnen de opleiding psychologie. Ter verduidelijking: mijn bezwaar gold niet het behandelen van de theorie als zodanig, maar het verdedigen van deze denkbeelden door de docent, alsmede het verzwijgen en ontkennen van bestaande wetenschappelijke kritiek op Rushtons onderzoek.
Ook trof ik geen oordeel aan over de wijze waarop mijn klacht over dit onderwijs door opleiding en faculteit is behandeld.
In mijn brief van 2 oktober heb ik het College van Bestuur uitdrukkelijk om een dergelijk oordeel verzocht en u daartoe de relevante documenten verstrekt. Als aanvulling op uw algemene reactie van 5 december verzoek ik u dan ook om mij binnen 20 werkdagen alsnog uw oordeel over het specifieke onderwijs en over de gevolgde procedure te doen toekomen.
In uw reactie van 5 december noemde u het universitair instituut voor ethiek. Ik wil u bedanken dat u mij op dit instituut attent maakt, wellicht kan deze zaak t.z.t ook aan dit instituut ter beoordeling worden voorgelegd.
Echter volgens de onderwijsinspectie is het College van Bestuur eindverantwoordelijk voor het onderwijs. Ook volgens de universitaire klachtencoördinator wordt de kwaliteit van onderwijs door het CvB beoordeeld, en is het CvB in staat om bij problemen handelend op te treden.
Vandaar dus dat ik u toch vraag om een inhoudelijk oordeel.
Gelieve in uw antwoord ten minste antwoord te geven op de volgende drie vragen:
- Voldoen de uitlatingen van dhr. Kalma met betrekking tot Rushtons onderzoek aan de (door u geschetste) kwaliteitseisen voor academisch onderwijs?
- Is door de opleiding psychologie en door de faculteit sociale wetenschappen op een correcte wijze onderzoek gedaan naar de inhoud van de uitlatingen van de docent?
- Indien volgens uw oordeel het antwoord op beide of een van beide vragen negatief is, welke consequenties verbindt het CvB dan hieraan?
Naar mijn mening is er in het onderwijs van de heer Kalma geen sprake van een docent die studenten gedegen wilde informeren over (de gevaren van) een racistische theorie.
Integendeel, de heer Kalma was een voorstander van de racistische opvattingen van Rushton en wilde een zogenaamd taboe doorbreken. Daarbij verzweeg hij de wetenschappelijke kritiek die er op het onderzoek van Rushton bestond. Dit alles kunt u terugvinden in de bewuste e-mailcorrespondentie waarin ik de docent vroeg om meer informatie over Rushton.
Ter aanvulling op de andere documenten stuur ik u bij deze ook het advies van dr. Tellegen van de RUG (zie ook U-blad 13, 27 november) alsmede informatie over Rushtons activiteiten als hoofd van een neonazistische organisatie.
Naar mijn mening zou het College van Bestuur openlijk afstand moeten nemen van de uitspraken van de docent, in het bijzonder zijn beweringen over het aangeboren rasverschil in intelligentie, dat door Rushton zou zijn aangetoond. Een pleidooi voor een racistische theorie binnen academisch onderwijs dat vervolgens niet wordt herroepen, tast naar mijn mening de wetenschappelijke en didactische integriteit van de Universiteit Utrecht aan.
Hiermee ga ik ervan uit dat u voldoende informatie heeft om tot een inhoudelijk oordeel te komen.
Ik verzoek u binnen 20 werkdagen te reageren.
In afwachting van uw reactie verblijf ik,
Hoogachtend,
Inge Versteegt (studente psychologie)
kopie t.a.v.
- Universiteitsraad
- Onderwijsinspectie