Intelligentietests voor jonge kinderen Intelligentietests voor jonge kinderen Bespreking: Intelligentie, weten en meten Intelligentie: weten en meten Diagnostiek bij onderwijs en indicatiestelling Diagnostiek onderwijs en indicatiestelling
Zin of onzin van de kleutertoets Zin of onzin van de kleutertoets Zogenaamde Classificerende Diagnostiek Zogenaamde Classificerende Diagnostiek Rugzak of Aapje? Rugzak of Aapje?
Het kind als machientje Het kind als machientje De waan van het IQ De waan van het IQ Diagnosten in spagaat Diagnosten in spagaat
Kinderen met dyslexie onderschat Kinderen met dyslexie onderschat IQ en onderwijs, twee NRC artikelen IQ en onderwijs, twee NRC artikelen Tests onzuiver belicht Tests onzuiver belicht


Dit artikel is ook te downloaden als Word document: klik.

Boekbespreking
Pedagogische Studiën (2002), jaargang 79, nummer 3, 233-235
----------------------------------------------------------------------------------------

Intelligentie: weten en meten
Nieuwezijds, Amsterdam, 2001
192 pagina’s, € 15,65
ISBN 90 5712 040 2
Wilma Resing en Pieter Drenth

De auteurs van dit boek zijn op het gebied van het intelligentieonderzoek uitermate deskundig. Belangrijke intelligentietests zoals de RAKIT en de Testserie Hoger Niveau (VAT, NAT en TNVA) zijn door hen geconstrueerd. Resing heeft ook veel onderzoek verricht naar maten voor leerpotentieel en Drenth is mede bekend door zijn boek over testtheorie en door onderzoek van intelligentie in andere culturen. ‘Intelligentie: weten en meten’ heeft echter niet de pretentie een studieboek te zijn en richt zich niet speciaal op degenen die beroepsmatig met intelligentie en intelligentietests te maken hebben. “Het boek is bedoeld voor eenieder die enig inzicht wil krijgen in de achtergronden van het begrip intelligentie en in de praktische toepassingen ervan. Bovendien wordt een aantal controversen in het denken over en het onderzoek naar intelligentie nader toegelicht.”

Het boek bestaat uit veertien korte hoofdstukken waarbij wordt ingegaan op de achtergrond van het begrip intelligentie (afbakening van het begrip, historie, psychometrische en cognitief-experimentele benadering), de constructie en het gebruik van intelligentietests en intelligentie in relatie tot erfelijkheid, omgeving, verandering en cultuur. Tenslotte wordt een apart hoofdstuk gewijd aan emotionele intelligentie en aan de praktische en ethische aspecten van testgebruik.

De auteurs beperken zich voornamelijk tot ‘academische’ intelligentie waarbij het accent ligt op denkprocessen en het oplossen van (nieuwe) problemen. Verhelderend is het onderscheid (oorspronkelijk van Vernon) naar intelligentie A (aangeboren potentieel), intelligentie B (resultaat van interactie tussen genetische aanleg en omgeving en leerervaringen), en intelligentie C (dat wat de intelligentietest meet). Het onderscheid naar deze typen loopt als een rode draad door het boek en geeft structuur aan de verschillende hoofdstukken.

Door de gemakkelijke schrijfstijl is het boek goed toegankelijk voor een brede doelgroep. Onderzoeksresultaten worden in algemene termen beschreven en middels noten wordt naar de literatuur verwezen. Op deze manier kan men met veel aspecten van het intelligentieonderzoek kennis maken zonder dat men door technische termen en details wordt afgeschrikt. Een uitzondering hierop vormt het hoofdstuk over intelligentie en erfelijkheid. Hier wordt de vraag naar de mate waarin intelligentie erfelijk is, besproken aan de hand van uitkomsten van tweelingenonderzoek. Hierbij komen termen aan de orde zoals ‘variatie’, ‘variantie’, ‘samenhang van 50%’, ‘h2’ en ‘Pearson r’ zonder dat duidelijk is wat deze betekenen. Ook wordt bijvoorbeeld niet uitgelegd waarom ouders en kinderen, evenals broers en zussen, voor 50% identiek genetisch materiaal hebben. De auteurs vermelden dat een goede schatting van de overervingscoëfficiënt .50 is, maar tevens dat deze vanaf de jongvolwassenheid .75 bedraagt. Dit lijkt in tegenspraak. Zowel in stijl als in duidelijkheid valt dit hoofdstuk uit de toon.

Soms gaan de auteurs weinig zorgvuldig met de feiten om. In het hoofdstuk over de historie van het intelligentieonderzoek wordt melding gemaakt van het onderzoek van Galton met verschillende intelligentiematen. Uit het feit dat zijn maten voor intelligentie, net als lengte, normaal verdeeld waren, concludeerde Galton dat intelligentie, net als lengte, erfelijk bepaald moest zijn. Door niet te vermelden dat dit geen logische conclusie is, lijkt het of de auteurs deze redenering onderschrijven. Deze indruk wordt versterkt doordat de auteurs bij de bespreking van de verdeling van ruwe testscores stellen: “We weten dat de testscores voor elke leeftijdsgroep een normaalverdeling vormen”, waarbij zij weer naar Galton verwijzen. De uitspraak wordt ondersteund door een figuur waarin voor elke leeftijdsgroep de scores keurig normaal verdeeld zijn. Bekend is echter, en Drenth heeft daar in zijn boek ‘Testtheorie’ terecht op gewezen, dat ruwe scores in het algemeen niet normaal verdeeld zijn, ook niet wanneer de onderliggende vaardigheid dat wel is. Resing en Drenth hebben in het boek ‘Intelligentiemeting bij Kinderen’, figuren gepresenteerd van de verdeling van ruwe subtestscores van de RAKIT, waarbij heel duidelijk is te zien hoe de vorm van de verdeling verandert met de leeftijd, en dat deze meestal verre van normaal is. Jammer dat de behoefte om de presentatie eenvoudig te houden hier leidt tot onjuiste informatie.

Storend, en ook misleidend, is de verwijzing naar auteurs in de paragraaf over testbias en cultuurfaire tests. Hier schrijven Resing en Drenth: “Uit onderzoek naar itembias van tests, waarbij onderzocht wordt of er sprake is van discriminerende items in Nederlandse tests, komt echter, volgens onder anderen Hofstee en Te Nijenhuis, naar voren dat itembias zich in intelligentietests niet of nauwelijks voordoet”. In het artikel van Hofstee uit 1990 waaraan wordt gerefereerd, stelt Hofstee echter in het geheel niet dat itembias voor allochtonen weinig voorkomt. Hij beperkt zich tot de constatering dat dergelijk onderzoek in Nederland vrijwel afwezig is. Bij Te Nijenhuis wordt verwezen naar zijn dissertatie waar Te Nijenhuis juist vermeldt dat bij twee van de drie onderdelen van de GATB, waarbij hij onderzoek naar itembias heeft verricht, sprake is van veel items met bias (weliswaar brengt ook Te Nijenhuis regelmatig de mening naar buiten dat itembias vrijwel niet voorkomt, maar dit is niet in overeenstemming met de uitkomst van zijn promotieonderzoek).

In het hoofdstuk ‘Intelligentie en Cultuur’, waar aandacht wordt geschonken aan de mogelijkheden en de problemen om personen uit een andere cultuur te testen, valt op dat op deze plaats vrijwel geen aandacht wordt besteed aan de beperkte kennis van het Nederlands van veel allochtonen. In het hoofdstuk ‘Het meten van Intelligentie’ werd terecht wel de vraag gesteld of een intelligentietest in het geval van allochtonen wel intelligentie meet, en niet beheersing van de Nederlandse taal. In een eerdere publicatie trokken Resing en Drenth uit onderzoek met de RAKIT de conclusie dat de subtest Woordbetekenis, waarop allochtone kinderen extreem laag scoren, beter niet gebruikt kan worden voor de berekening van het IQ wanneer kinderen nog maar kort in Nederland verblijven. Nu stellen zij echter dat uit onderzoek niet blijkt dat er van testbias sprake is.

Enerzijds pleiten de auteurs wel voor intelligentietests waarbij zo min mogelijk een beroep wordt gedaan op (cultuur)specifieke kennis, maar anderzijds stellen ze dat het geen zin heeft om uitsluitend niet-verbale intelligentietests af te nemen omdat deze tests minder goed succesvol presteren in opleiding of beroep zouden kunnen voorspellen. Toch wijst onderzoek ook anders uit. Zo neemt de predictieve waarde van de DAT’83 om wiskundeprestaties te voorspellen, juist sterk toe wanneer de drie verbale onderdelen van de DAT niet bij de berekening van de totaalscore worden betrokken. Verder blijken ook de niet-verbale SON-tests een hoge predictieve validiteit te hebben. Resing en Drenth noemen een gemiddelde samenhang tussen intelligentiescores en schoolprestaties van ongeveer .50. Voor de SON-R 5.5-17 is de correlatie met schoolsucces echter aanzienlijk hoger, namelijk .59.

De auteurs hebben zich bij dit boek twee doelen gesteld, enerzijds aan een breed publiek inzicht geven in de achtergronden van het begrip intelligentie en anderzijds een aantal controversen nader toelichten. Het eerste doel wordt zeker bereikt, maar al lezend krijgt men bepaald niet de indruk dat er op het gebied van het intelligentieonderzoek van echte controversen sprake is. Conflicten worden in dit boek niet uitgediept maar toegedekt of genegeerd door dissidente informatie niet te vermelden. Dit heeft tot gevolg dat de makkelijk leesbare stijl ook een kleurloze stijl is geworden, die bijvoorbeeld sterk contrasteert met de stijl van Piet Vroon in ‘Intelligentie’ dat 20 jaar geleden werd gepubliceerd.

De conclusie is dat dit een oppervlakkig boek is, in de positieve betekenis van toegankelijk, maar ook in de betekenis van vluchtig, niet erg grondig. Voor een eerste kennismaking hoeft dit echter geen bezwaar te zijn, te meer daar actuele, gemakkelijk leesbare alternatieven ontbreken.

P.J. Tellegen
Rijksuniversiteit Groningen


to top to top to top to top

homepage T&T homepage SON-tests