Intelligentietests voor jonge kinderen Intelligentietests voor jonge kinderen Bespreking: Intelligentie, weten en meten Intelligentie: weten en meten Diagnostiek bij onderwijs en indicatiestelling Diagnostiek onderwijs en indicatiestelling
Zin of onzin van de kleutertoets Zin of onzin van de kleutertoets Zogenaamde Classificerende Diagnostiek Zogenaamde Classificerende Diagnostiek Rugzak of Aapje? Rugzak of Aapje?
Het kind als machientje Het kind als machientje De waan van het IQ De waan van het IQ Diagnosten in spagaat Diagnosten in spagaat
Kinderen met dyslexie onderschat Kinderen met dyslexie onderschat IQ en onderwijs, twee NRC artikelen IQ en onderwijs, twee NRC artikelen Tests onzuiver belicht Tests onzuiver belicht


Dit artikel is ook te downloaden als Word document: klik.

Lezing op het SIMEA–Congres
te Lunteren d.d. 15–4–2004

Instrumentele diagnostiek en het kind als machientje:
een kritiek.

door: Gerard Brouwers.

Zorg

Dames en heren. Als ik het goed begrepen heb, zitten in de zaal veel mensen die betrokken zijn bij het speciaal onderwijs Cluster 2. Als leerkracht of als begeleider of als diagnosticus, maatschappelijk werkende, logopedist, een enkele schoolarts wellicht en mensen uit instellingen voor dove kinderen, slechthorende kinderen en voor kinderen met ernstige spraak- /taalproblemen. U zal in meerderheid uw werkzaamheden rangschikken onder kopjes als onderwijs, begeleiding, remedial teaching, diagnostiek,e.d. Dat heb ik met U gemeen: ik werk zo’n dertig jaar als psycholoog in het speciaal onderwijs: voorheen LOM en MLK, nu SBO, speciale kleuterafdelingen en Zmok, nu Cluster 4. Ik doe vooral diagnostiek maar ook begeleiding van kinderen en ouders.
Maar sinds een aantal jaren zijn wij, U en ik, ook zorgfunctionarissen. Zo’n tien, vijftien jaar geleden, leidde het woord Zorg een stil en bescheiden leven. Als men mij destijds benoemd zou hebben in een “zorgcommissie” zou ik vreemd hebben opgekeken. Maar het woord “Zorg” is op een gegeven moment aan een onstuitbare opmars begonnen. En ineens waren er zorgplannen, zorgfunctionarissen, interne en externe zorgcommissies, zorgmanagers, zorgtoeleiding, zorgverstrekking en nog veel meer. Wij waren beland in een zorgstructuur en het is goed om ons te realiseren dat dat zo is en wat het inhoudt. Want laten wij niet naïef blijven: Zorg is een product. En dus zijn er zorgproducenten en is er een zorgmarkt. En zijn er zorgbudgetten en zorgverzekeraars. En zijn er zorgbeleidsmakers en een overheid die toeziet op de zorg en op de zorgkosten. En moeten wij extra zorg kunnen verantwoorden. Dus moeten er criteria komen om de zorgbehoeftigen te indiceren. En zo’n indicatiestelling moet objectief zijn, en transparant en uniform en consequent en liefst wetenschappelijk onderbouwd, want dat klinkt héél verantwoord. En daarom zijn er tests en toetsinstrumenten en vragenlijsten en observatieschalen.
En ook dat is een markt. En omdat er zorggeld is voor geïndiceerden, zijn er ook toeleiders en dossiervullers. En ook dat wordt een markt. Wij mogen het niet steeds zeggen, omdat het zo vervelend klinkt, maar de zorgbehoeftigen zijn natuurlijk te beschouwen als gehandicapt, ziek, gestoord. Het is ook rationeel om de omvang van het zorgbudget in overeenstemming te brengen met de mate van gehandicapt of gestoord zijn. Dat vraagt heel wat meet- en rekenwerk en daar zitten de zorgverzekeraars en beleids-medewerkers en controlerende overheidsdienaren boven op. Want er gaat veel geld om in de Zorg en het lijkt soms wel of er wekelijks handicaps en stoornissen bij komen. Ik ken wel kinderen die er 5 of 6 hebben.
Zo’n zorg- en handicap filosofie opent ook verre toekomstperspectieven. Eens wordt de genetische kaart van de menselijke baby gelezen alsof het een geheugenkaart van uw digitale camera betreft. En zie daar: geen foto’s maar alle risicofactoren, handicaps en stoornissen in beeld. En ook wat dat allemaal aan extra zorg gaat betekenen. En wat dat gaat kosten en hoe hoog derhalve de premie wordt, zeker als deze mens nog gaat roken, of te veel of te weinig aan sport wil gaan doen, of de verkeerde boter gaat eten, of verliefd wordt op een vrouw die niet de juiste genen heeft. Goed misschien overdrijf ik en komt er geen “brave new world”, maar wordt alstublieft waakzaam en kritisch.Want de tendensen zijn er, de ontwikkeling is er, de bureaucratie is er, de zorgeconomie is er, de farmaceutische industrie is er, de staatsdiagnostiek en staatspedagogiek en staatsmedische wetenschap zijn er, de mechanisering van het wereldbeeld is er, de slordige meten is weten menswetenschap en een soort vulgair empirisme zijn er, de nationale I.Q. quiz is er, de no nonsense cultuur en imponerende technische vooruitgang is er. En de zorg? Ja hoor, die is er ook, van staatswege. Wij zorgfunctionarissen staan allemaal in het gelid. Op commando verstrekken wij zorg. Zo gaat dat.

Les mots et les choses

Iets laten bestaan door er over te praten. Ik leen maar even een uitdrukking van Rudy Kousbroek: “Iets laten bestaan door er over te praten, is een voorbeeld van de macht van de taal.” En omdat het iets vermakelijks heeft om Kousbroek en Heidegger in een adem te noemen, ook maar even Heidegger: “Die Sprache ist das Haus des Seins.” Zo is het maar net. En de zorgsector en de indicatiestelling voor zorg en de zorgbeleidsambtenaren hebben hun geheel eigen Sprache. Of je dat nu gepantserd HBO–jargon (Van Doorn), turbotaal, of woordmagie noemt, het is er en het laat iets bestaan… door erover te praten.
Ook daar had Heidegger een woord voor: “Das Gerede,” het geklets.
Woorden leiden een eigen leven, zij brengen ongemerkt een reeks associaties en veronderstellingen in, zij vormen ons denken en handelen op een manier en in een mate die wij ons niet realiseren.
“Bij de herindicatie mag U gebruik maken van oud onderzoek als het ‘stabiele kindkenmerken’ betreft.” Dat staats-diagnostisch jargon is warempel niet eenvoudig. Ik had al zo’n moeite met kindkenmerken en nu ook nog stabiele. Zou dat allemaal wetenschappelijk onderbouwd zijn of is dat weer een turbo brainwave van een beleidsmakend medemens die een heel andere ontwikkelingspsychologie aanhangt dan ik?
Zeker net zo stabiel als het I.Q. Maar daarover later. Wat te denken van classificerende diagnostiek. Ook zo’n prachtwoord. Wat denkt U van verwaarlozende zorg? Of onverschillige empathie. Je kunt het ook omdraaien: diagnosticerende classificatie. Of zorgende verwaarlozing. Of empathische onverschilligheid. Dit laatste bijv. bij zinloos geweld. Hoort U hoe het werkt. Hoort U de taal protesteren? Ik niet. Jammer.

Kinderen

Ik houd van kinderen. Ik wil dat even melden. Het is de reden waarom ik mijn werk nog met veel plezier doe. Zij bevinden zich in dezelfde situatie als ik: de menselijke situatie, la condition humaine. Tussen geboorte en dood, als mogelijk–zijn. Zij bevinden zich, proberen zich een beeld te vormen van waarin zij zijn beland, proberen greep te krijgen op wat hen drijft, ontwaren betekenissen in wat gebeurt, dromen, zien geesten, horen stemmen, worden vaak niet bemind, verwaarloosd, misbruikt. Beginnen weerloos aan dit leven, zijn dikwijls kansarm, getraumatiseerd. Dat zijn veel van de kinderen die ik zie, beroepshalve. Maar je kunt altijd met ze praten, vragen hoe ze in het leven staan, tot wie zij zich wenden, hoe alleen zij zijn in hun slaap, wat zij van plan zijn, wat zij vinden van de problemen die anderen hen aanrekenen, wat zij vinden van een dreigende schoolwisseling of zij zelf vinden dat zij zorg nodig hebben en waarom dan wel of niet.
Praten tegen kinderen komt veel voor. Praten met kinderen is relatief zeldzaam. Die twee dingen worden vaak verward. De meeste kinderen die ik beroepshalve zie, hebben geen idee waarin zij zijn beland. Oh ja, er is wel tegen ze gepraat. Door ouders, door leerkrachten, door zorgverstrekkers. Maar nauwelijks met ze, zo lijkt het. Ik probeer dat wel. Bij elk onderzoek. Dat duurt. Dat wordt gauw een uur tegenwoordig, want de tijd vliegt voorbij. En zij mogen ook spelen of tekenen of alsmaar naar de WC lopen. Want ook dat is praten. Voor wie luisteren wil of kan. Het is niet een vluchtig voorafje, waarna het echte onderzoek begint. Nee, het is het onderzoek zelf. Het kind als subject, zijn verhaal, zijn leven.
Maar steeds beklemmender manifesteert zich een opvatting over diagnostiek en behandeling waarin dat niet meer kan. Het kind is ook een mens, een subject, een ontwerp, een mogelijk zijn. Ja,ja, die mooie woorden gaan wij niet tegenspreken. Het onderzoek een ontmoeting? Dat is prima. U doet uw best maar. Als U de ontmoeting maar productief laat wezen. Een I.Q., een stoornis, een achterstand, gemeten met echte instrumenten die als toelaatbaar in ons Staatsblad zijn gepubliceerd. Graag de vereiste formulieren invullen en toezenden. Niet de verkeerde dingen aankruisen.
De mening van het kind? Is niet vereist voor indicatie, mag desnoods in een voetnoot. Niet te veel informatie graag, dat werkt verwarrend, dat is gebleken uit wetenschappelijk onderzoek. U hebt overigens groot gelijk met Uw kindvisie als subject. Dat zullen wij U van staatswege ook niet verbieden. Maar het is meer een opvatting die U moet reserveren voor uw persoonlijk leven. Als professional verwachten wij dat U zich houdt aan de uniforme werkwijze. U neemt de voorgeschreven instrumenten op de voorgeschreven manier af en maakt daarbij gebruik van Uw langdurige ervaring en levenswijsheid. Hoe U dat doet, mag U zelf weten. Als U uw werk in de toeleiding maar conform de regels en binnen de beschikbare tijd ( laten wij zeggen maximaal 4 uur) verricht. Wij stellen Uw expertise zeer op prijs. Dat spreekt vanzelf. En dat U van kinderen houdt, vinden wij heel mooi. Dat lijkt ons een voordeel bij Uw werk. Veel plezier ermee.

Misverstand

Nu dreigt een misverstand. U denkt die mijnheer Brouwers drijft de spot met de wetenschap, die houdt niet van meten en niet van getallen, die wil vast terug naar vroeger. De klinische blik, het ongewapend oordeel, de tijd dat je zo maar wat opschreef. Maar ik houd niet alleen van kinderen, ik houd ook van wetenschap en toevallig ook van rekenen. Ik word alleen boos van slechte wetenschap, van zogenaamde wetenschap, van getalfetisjisme, van zgn. objectiviteit om de objectiviteit, van uniformiteit om de uniformiteit, van regels om de regels, van heerszucht en bedilzucht uit angst voor de kosten, terwijl het geld weg vloeit naar dossiervullers en dossiercontroleurs en alles wat daaraan meekomt.
Ik word boos van de bureaucratie en de protocollen en procedures. Al die mensen die zich met kinderen en ouders bemoeien zonder hen ooit te hebben gezien of gesproken. Met echte wetenschap en met het echte leven heeft dat alles niets van doen.
Voor mij zit een huilende moeder. Zij huilt omdat zij gistermiddag heeft gezien hoe haar zoon Jordy zich in de huiskamer aftrok terwijl hij naar een videoclip keek op de televisie. Jordy is 9. Jordy zit al vanaf zijn tweede jaar in de hulpverlening: MKD,JRK, SBO, Zmok. Jordy heeft al op 6 adressen gewoond: bij moeder, bij vader en vriendin, in een crisispleeggezin en in drie kinderhuizen. Is nu weer tijdelijk bij moeder in huis, de hulpverlening zoekt naar het volgende adres. Jordy is meerdere malen seksueel misbruikt: verkracht door vader, een pupil in een van de kinderhuizen en een man in zijn woonomgeving. Jordy slaapt bij moeder in bed, maar wordt vrijwel elke nacht gillend wakker. Jordy steelt, heeft enkele malen geprobeerd het huis in brand te steken en heeft een brandende aansteker bij moeders haar gehouden toen zij op de bank lag te slapen. Jordy is pas nog in het ziekenhuis geweest omdat hij zo hard aan zijn piemel had getrokken dat de voorhuid was gescheurd. Jordy is de afgelopen 7 jaar minstens 10 keer per jaar besproken in een vergadering met gemiddeld wel 8 zorgfunctionarissen. Dat zijn 7 keer 160 werkuren, dat is 60.000 Euro gepraat over Jordy. Zijn dossier beslaat nu 234 bladzijden en weegt meer dan een kilo. O ja, en voor ik dat vergeet. Hij slikt vanaf zijn derde jaar Ritalin vanwege ADHD. En kinderpsychotherapie? In ronde getallen: 0,0 uur. Sommige getallen gaan echt ergens over. Die spreken… boekdelen.

Inspector Frost

Veel van mijn beweringen en uitgangspunten van deze middag, worden op een andere manier vorm gegeven in de Engelse detective serie Inspector Frost. Ik heb zelfs nog even geaarzeld of ik U i.p.v. een lezing niet beter een aflevering van Frost had kunnen presenteren. Een van de aardigste elementen is natuurlijk de manier waarop Frost omgaat met wat hij steeds noemt: paperwork. Het lijkt hem belangrijker om misdaden op te lossen i.p.v. systematisch op te schrijven wat, waar en hoe hij aan het werk is. Het gevaar dreigt immers dat je door al dat schrijven en invullen en ordenen en opbergen en opzoeken geen tijd meer over houdt voor het werk zelf. Herkent U dat? Dus lost Frost de misdaden op en laat het paperwork liggen. Ook zijn werkwijze spreekt mij aan. Frost trekt zich weinig aan van standaardprocedures en de waan van de dag. Hij voert alledaagse gesprekjes met alle betrokkenen, hij luistert, denkt na en combineert. Hij zoekt het volle leven op en gebruikt vooral zijn gezond verstand. Dit tot verdriet van zijn baas superintendant Mullet die de enigszins praktijkblinde bureaucraat voorstelt, die zich vooral druk maakt over de image van de organisatie, de presentatie naar buiten, de regeltjes van bovenaf en het werken volgens de laatste mode. Ik heb sterk de indruk dat in ons werk steeds minder Frosten en steeds meer Mullet’s komen. Ik betreur dat.

I.Q.’s

Er is veel te doen over tests en toetsen. Wij hebben tegenwoordig een heuse staatsdiagnostiek. Heeft U dat al gemerkt? Eigenlijk moeten die tests en toetsen de orde scheppen en de richting aangeven. In de visie van velen met beleidsinvloed is dat zonneklaar. Mensen zijn te subjectief. Het ongewapend oordeel, ja zo heet dat, deugt niet. Als modelvoorbeeld geldt het intelligentieonderzoek. Dat is ons beste wapen. Ja wij leven in een land waarin het I.Q. steeds nadrukkelijker gaat bepalen of wij links dan wel rechtsaf moeten. Is daar iets voor te zeggen? Het grote publiek, lees ik in het gerenommeerde handboek “Child Development and Personality” van Mussen, Conger, Kagan en Huston, maar ook veel professionele werkers (psychologen, pedagogen, kinderpsychiaters en andere medici) dichten het I.Q. mystieke kwaliteiten toe. Veel mensen denken dat de testafnemer in de geest kan doordringen en zo een getal ontdekt, dat vastgelegd is in de erfelijke aanleg, het hele leven stabiel blijft en een maat is voor iemands verstandelijk vermogen.
“None of these assumptions is correct.”
Zij verwijzen o.a. naar longitudinaal onderzoek waarin grote groepen kinderen gevolgd zijn van hun 6e tot 18e levensjaar en stellen vast dat een verschil van 20 punten of meer tussen het laagste en hoogste I.Q. van hetzelfde kind heel gebruikelijk was. Dat is dus o.a. het verschil tussen gemiddeld en verstandelijk gehandicapt. Zij stellen intelligentietests op een lijn met schoolvorderingentoetsen en stellen voor om het maar over “school ability” te hebben en niet langer over intelligentietests. Dat voorstel maakt weinig kans. Ik heb jaren terug eens voorgesteld om te komen tot een wettelijk verbod op intelligentieonderzoek. Ook dat voorstel heeft het niet gehaald. Terwijl er toch zo veel voor te zeggen valt. Jammer!

Een oppositionele gedragsstoornis met Gille de la Tourette

Roberto was 5 jaar bij plaatsing op de toenmalige kleuterafdeling van de Lom–school. Het plaatsingsrapport was gevuld met onderzoeksverslagen van een kinderpsychiatrische polikliniek. Hij werd getypeerd als een zwakbegaafd ventje met een oppositionele gedragsstoornis en Gille de la Tourette, waarvoor medicatie. De achtergrond werd onrustig en beperkt genoemd. Een zwakbegaafde moeder van 21, een vader die het eerste jaar schreeuwend aanwezig was en daarna vertrok, vervolgens wisselende vrienden van moeder. Moeder woonde nu alleen met Roberto en oma MZ had veel bemoeienis. Een zwak sociaal, blank, Haags binnenstadsmilieu, om het even grofweg te typeren. Op de kleuterafdeling bleek al snel dat er weinig met hem te beginnen was. Hij zonderde zich af, reageerde heel agressief op de andere kinderen als die zich met hem wilden bemoeien, deed meestal niet mee met de groepsactiviteiten en luisterde niet naar de volwassenen. Hij had allerlei grimassen in zijn gezicht, liep veel te spugen, zowel buiten als in het gebouw zelf. Opvallend was zijn gefascineerdheid door een tekenfilm die zich grotendeels onder water afspeelt, nl. Disneys De Zeemeermin.
Ik leerde Roberto wat beter kennen toen ik mee ging op schoolkamp. Ik vond het meteen een heel verwaarloosd en aandoenlijk ventje en dat had hij wel door. Hij wilde bij mij in de auto naar de kampbestemming in Soest en volgde mij de eerste dag als een schaduw. Als ik naar het toilet moest, zat hij tegen de deur te wachten. Aan tafel kroop hij naast mij en alleen als ik zijn boterham klaar maakte of zei dat hij moest eten, deed hij dat. Toen de groepsleerkrachten en assistentes ontdekten dat Roberto naar mij wel wilde luisteren, lieten zij hem geheel aan mij over. Na het avondeten was hij niet onder de douche te krijgen en na enige aandrang liet ik het maar zo. Vervelender was dat hij ook niet naar bed wilde. Hij reageerde zeer angstig en opgewonden bij het idee dat hij in een apart kamertje moest gaan slapen. “Je bent een beetje bang,” zei ik. “Niet,” zei Roberto weinig overtuigend, “maar ik slaap nooit.” Om half tien vonden wij een werkbaar compromis. De deur van het slaapkamertje bleef open en hij ging zo in bed liggen dat hij mij kon zien zitten. Zo viel hij deze en de komende avonden in slaap. De douche bleef de hele kampweek een taboe. Met een washandje poetste ik hem af en toe een beetje schoon.
Na deze kampweek bleef Roberto mij opzoeken als ik op school was. Hij draaide dan wat om mij heen en vroeg meestal of hij even op mijn schoot mocht zitten. Het waren ook de enige dagen dat hij in de groep wat gezeglijker was.
Ondertussen was op verzoek van de school een hernieuwde kinderpsychiatrische onderzoeksronde gestart omdat hij te onaangepast bleef om op een school te kunnen functioneren. Moeder had mij verzocht om mee te gaan naar de kliniek omdat het haar niet lukte om ervoor te zorgen dat Roberto mee ging met de mensen die hem moesten onderzoeken. Ik deed dat een paar keer en zo raakte ik met moeder wat verder in gesprek. Al snel vertelde zij de meest gruwelijke verhalen over wat Roberto als peuter en kleuter had meegemaakt. Een van die verhalen was dat een van haar vrienden Roberto met geweld onder de douche had gezet en hem daar had opgesloten. Toen Roberto uit angst in de douche had gepoept, was die vriend zo kwaad geworden dat hij de ontlasting in Roberto’s mond had gepropt. Er waren nog andere verhalen die duidelijk maakten dat Roberto ernstig bedreigd en mishandeld was gedurende langere tijd en door verschillende volwassenen.
Op de eindbespreking van de kinderpsychiatrische kliniek werd ik als vertegenwoordiger van de school uitgenodigd. De onderzoeksverslagen werden besproken en in hoofdlijnen opnieuw dezelfde conclusies getrokken: zwakke achtergrond, onderstimulatie en matige verzorging, I.Q. op MLK–niveau, oppositioneel ingesteld, tic–stoornis, wellicht andere medicatie en, gezien de berichten van school: residentiële opvang en behandeling in een orthopedagogisch behandelingsinternaat met eigen schoolvoorziening.
Kennelijk was het alleen de bedoeling dat ik namens de school het advies aanhoorde, maar ik kon het toch niet laten om te vragen of ik nog wat informatie mocht toevoegen. Men was te beleefd om nee te zeggen. Ik vatte de verhalen van moeder samen en meldde het douche–verhaal wat uitvoeriger. Ik gaf aan het voor de hand liggend te vinden de tics zoals het spugen en de opvallende watervrees en fascinatie in verband te brengen met dat verhaal. Ik ging in op zijn afwerende opstelling en zijn grote angsten als zijnde gevolgen van systematische mishandeling door vader en vrienden van moeder in situaties waarin moeder niet in staat was om hem te beschermen. Kortom: ik probeerde het beeld te schetsen van een ernstig getraumatiseerd jongetje dat dringend therapie nodig had en daar, naar mijn ervaring, ook wel voor bereikbaar was. Mijn woorden vielen in een stilte van onwelwillendheid en wellicht ook onbegrip die ik mij nu nog steeds — het verhaal speelt zo’n twintig jaar geleden — gemakkelijk kan herinneren.
Alsof ik met onsmakelijke verhalen de diagnose Gille de la Tourette had willen aanvallen, alsof ik geheel onnodig en onaangekondigd een helder beeld van de problematiek had willen verstoren. De enige reactie van dat forum was dat mijn visie aan het verslag zou worden toegevoegd. Het was voor mij een indringende confrontatie met de opleving van het medisch model en het categorale denken. Daar is de kiem gelegd voor mijn opstandigheid tegen deze wijze van benaderen, een opstandigheid die tot op de dag van vandaag voortduurt.

Dyslexie

Toen Steve 6 was, en vlak voor hij naar groep 3 zou gaan, liep hij in de kamer het petroleumkacheltje om en vatte vlam. Brandend lag hij op de grond en gilde van de pijn. Zijn moeder die op twee meter afstand in een stoel een boek zat te lezen, keek niet op of om. Zijn vader kwam naar binnen rennen, greep Steve en doofde de vlammen onder de kraan bij de wastafel. En zelfs toen keek moeder niet op van haar boek. Steve werd naar het ziekenhuis gebracht en kort daarna door een kinderbeschermingsinstantie ondergebracht bij een speciaal pleeggezin. Ook zijn twee zusjes werden thuis weg gehaald, maar in een ander pleeggezin geplaatst. Steve werd meerdere malen geopereerd door de plastisch chirurg. Daarna begon hij vanuit het pleeggezin aan zijn schoolloopbaan.
Op 15- jarige leeftijd werd Steve aangemeld bij de praktijk van de Amerikaanse kinderpsychiater Denis Donovan en Deborah McIntyre. De aanleiding was dat hij door de politie was opgepakt, omdat hij fruit uit de tuin van een mevrouw had gestolen en vervolgens haar tuin in brand had gestoken. Donovan vroeg eerdere onderzoeksrapportage op en Steve bleek meerdere malen onderzocht door schoolbegeleidingsdiensten. Telkens luidde de conclusie: dyslexie. Op grond daarvan was hij ook in het speciaal onderwijs geplaatst. Verdere anamnetische gegevens waren beperkt. De plaatsing in het pleeggezin werd wel genoemd. Inderdaad, schrijven Donovan en McIntyre, met bijtend sarcasme in hun boek Healing the hurt child, inderdaad had Steve grote problemen met lezen.

Trauma’s

In plaats van afwijkend gedrag ordenend onderbrengen bij een bepaalde categorie, zodat de overheid en zorgverzekeraars en de farmaceutische industrie kunnen gaan berekenen wat zij aan zorg moeten uitgeven, resp. wat zij aan inkomsten kunnen verwachten, is een geheel andere benadering mogelijk en nodig voor werkelijke hulpverlening. In die benadering die zich richt op de levensgeschiedenis van het betrokken kind, kan het afwijkend gedrag worden gezien als uitdrukking van het probleem. Donovan noemt dat een ontwikkelingsgerichte – contextuele benadering. Hij benadrukt hoe de kinderlijke belevingswereld afwijkt van ons rationele mensbeeld waarin zelfbewustzijn en logisch denken zo’n prominente plaats hebben. Hij laat zien hoe trauma’s de ontwikkeling van het kind ingrijpend verstoren en hoe gedragsbeelden kunnen ontstaan die leiden tot classificaties als ADHD, oppositionele gedragsstoornis, autisme, PDD Nos en dus zelfs dyslexie. Hoe dergelijke DSM–labels geladen zijn met globale denkbeelden over het belang van genetische factoren en verstoringen van prikkeloverdracht in de hersenen. Hoe het belang van geschiedenis, situatie en relatie uit de beschouwing verdwijnt door de bril van het categorale kijken. Want wij zien uiteindelijk wat wij willen zien. Maar meer nog zo lijkt het. Wij zien niet wat wij niet willen zien: het dramatische verhaal van kinderen die nu alleen nog worden beoordeeld op de mate waarin zij ziek zijn of een stoornis hebben. En zo’n beoordeling ontrolt zich in een systeem waarvan iedereen weet dat het op geen enkele manier kan leiden tot een specifiek behandelingsvoorstel. Waarom doen wij dit?

Is het zo erg?

De harde wetenschapper met zijn genetische obsessies en vooringenomenheid aangaande de triomfantelijke toekomst van het kind in machinemodel, met zijn mantra van objectief, transparant, helder en wetenschappelijk onderbouwd, is nu echt boos. Boos op mij.
Die mijnheer Brouwers schaart zich in de gelederen van die hysterische Alice Miller en van die Amerikaanse wonderdokter Donovan, van dat noodlijdende, linkse clubje rond de inmiddels overleden Klaus Holzkamp of misschien wel dat vage Franse postmoderne gezwam over narratieve psychologie. Misschien is mijnheer Brouwers zelfs wel spiritueel of religieus geïnspireerd en kan hij theologie en filosofie en echte wetenschap niet uit elkaar houden. Denkt hij nou echt dat al het opvallend gedrag van kinderen te maken heeft met een traumatiserende geschiedenis? Alsof kinderen zo veel verkeerds meemaken. Alsof dat zo veel invloed kan hebben.
Mag ik antwoorden met wat cijfers. Die kunnen soms ook schokkend zijn. Een persbericht van 4 febr. 2004: Het Trimbos instituut meldt dat bijna een miljoen kinderen onder de 12 jaar in Nederland opgroeit in een gezin waarvan een ouder psychische of verslavingsproblemen heeft. Gezinnen dus waar ouders zich onvoorspelbaar gedragen, onbereikbaar zijn, onverstandige dingen zeggen, raar doen, regelmatig geen aandacht en geen zorg kunnen geven omdat zij zelf in de shit zitten. Bijna een miljoen kinderen dus in omstandigheden die het risico van traumatisering sterk verhogen.
Jaarlijks worden 25000 gevallen van kindermishandeling gemeld. Geschat wordt dat 50 tot 80.000 kinderen jaarlijks ernstig worden mishandeld. De schattingen van seksueel misbruik variëren van 1 op de 4 tot 1 op de 10 kinderen. Als wij uitgaan van het gegeven dat 10% van de kinderen opvallende problemen laat zien tijdens hun ontwikkeling, dan is het statistisch ruimschoots mogelijk om al die problemen in verband te brengen met ongunstige en waarschijnlijk traumatiserende leefomstandigheden.
Waarom leggen wij dat verband niet? Omdat wij niet meer in omgevingsinvloeden geloven? Omdat wij willen blijven vinden dat wij zo aardig zijn voor onze kinderen? Omdat wij geen zin hebben in de donkere kant van het bestaan, maar liever objectief en afstandelijk en neutraal en reuze wetenschappelijk in het licht van ons rationele lampje willen blijven staan? Maar ik zie en hoor dagelijks hele vreemde verhalen over kinderen en ouders. Ik denk vaak hoofdschuddend na. Zo van: hoe is het in godsnaam mogelijk. Heeft U dat ook wel eens?

ADHD?

Tyannie is vorige maand 6 geworden. Zij is geboren op Curaçao. Toen zij 3 jaar was, is zij op het vliegtuig gezet naar Nederland. Moeder en broer gingen niet mee. Zij werd hier opgevangen door haar biologische vader. Die had zij nog nooit gezien. De zorg voor zo’n klein meisje viel vader niet mee. Hij bracht haar vaak onder bij kennissen. Na een aantal maanden sprak hij met moeder af dat Tyannie weer terug zou gaan naar Curaçao. Op het laatste moment ging dat niet door. Vader bracht haar onder bij een oppasgezin en verdween voor enkele weken uit beeld. Toen hij plotseling weer opdook, kon Tyannie weer bij hem wonen. Kort daarna kwam moeder alleen, dus zonder Tyannies broer, over uit Curaçao. Zij was zeer slecht te spreken over hoe vader voor Tyannie had gezorgd en nam Tyannie meteen mee naar haar eigen woning. De ouders waren niet gehuwd en ook nu niet van plan om samen te gaan wonen. Moeder vestigde zich in Den Haag, vader vertrok naar Amsterdam en liet niets meer van zich horen. Moeder kreeg een maand na haar aankomst een baan in de verpleging met wisselende diensten en ook nachtdienst en moest Tyannie veelvuldig onderbrengen in weer een ander opvanggezin, waar Tyannie ook vaak sliep. Ondertussen was zij 4 geworden en ging zij naar groep 1 van de basisschool. Zij sprak toen alleen Papiaments en geen Nederlands. Zij werd op sterk wisselende tijden gebracht en weer opgehaald door ook steeds wisselende familieleden en oppas-ouders. Soms stond zij om 8 uur ’s ochtends al alleen op de stoep, terwijl de school om kwart voor 9 begon. Soms werd zij pas om 5 uur opgehaald, terwijl de school om kwart over drie uit ging. Het ging op school niet zo goed met Tyannie. Zij leerde weliswaar snel Nederlands, maar zij was erg druk en onrustig en had veel conflicten met de andere kinderen en de juf, waarbij het er fel aan toe ging. Toen zij 5 was, werd zij aangemeld bij BJZ. Na het intakegesprek werd zij doorverwezen voor psychodiagnostisch onderzoek. De vraagstelling luidde: 5 jarig Antilliaans meisje met opvallend druk, onrustig en agressief gedrag. Is hier sprake van ADHD? De basisschool meldde Tyannie via de zorgcommissie aan bij de Zmok-school. Soms word ik erg bedroefd, soms erg boos van zo’n diagnostische benadering.

Rutger Kopland

Rutger Kopland is dichter. Hij geniet aanzien als dichter, hij kreeg de PC Hooftprijs. Maar hij is ook biologisch psychiater. Zo noemt hij dat zelf. Dan heet hij zoals hij echt heet: Rutger van den Hoofdakker. Hij was hoogleraar in Groningen, en werkte samen met het boegbeeld van de Nederlandse biologische psychiatrie: Herman Van Praag. Maar hij was — inmiddels is hij een aantal jaren met pensioen — ook en vooral praktiserend psychiater.
Dichters hebben contact met het Hogere. Dat spreekt vanzelf. Psychiaters hebben contact met mensen. Zij zijn arts, zij willen helpen, genezen. Dat is een roeping als het goed is. Zij hebben ook contact met het lagere. En zeker biologische psychiaters hebben dat: contact met het lagere. Een interessante combinatie dus: biologisch psychiater en dichter. Heeft hij een mening over de mens als apparaat? Ja dat heeft hij.
“Ik heb,” schrijft Hoofdakker alias Kopland in zijn Trimbos lezing van 1996, “ik heb de verleiding gekend en ken hem nog van de speelgoedmetafoor. Men stopt een stof in een vastzittend individu en ziedaar, het individu komt weer op gang. Ik draai aan het sleuteltje, vul het energiereservoir, en daar gaat hij weer. En binnenin zit een mechaniekje dat die energie omzet in gedrag. Dat stond stil. Daarom stond het speelgoed stil. Dat klopt.”
“Ik heb,” vervolgt hij dan, “geen bezwaar tegen mechanistische voorstellingen. Maar ik denk dat de metafoor van het speelgoed ons niet verder zal brengen, sterker nog, ons van de regen in de drup zal helpen. Het centrale punt is dat de mens niet in een psychologisch of sociaal vacuüm leeft, maar in een context. Hij kan niet behandeld of bestudeerd worden zonder die context.”
Nee, Kopland gelooft niet in mindless psychiatry. Hij herinnert zich met weemoed zijn samenwerking met de huisarts Van Lith de Jeude.
“Ik,” schrijft Kopland, “ik ben blij dat ik bij hem heb gewerkt, dat ik heb gezien dat je als arts kunt aanvaarden dat mensen zijn zoals ze nu eenmaal zijn en dat veel van hun klachten alleen begrepen kunnen worden als je hun levensverhaal wilt kennen. Dat verhaal omvat meer dan een rijtje symptomen van een individu, het omvat de hele mens en zijn of haar context. Het zijn grote woorden, maar het is niet anders.” (Misschien overbodig als ik hier even tussenvoeg: kinderen zijn ook mensen. Ik hoop maar dat het overbodig is. Alhoewel.)
Wat Kopland vervolgens doet, in een andere lezing, is met nadruk wijzen op het belang van de relatie in diagnostiek en behandeling. Niet alleen vanwege een humanistische grondvisie, maar op grond van wetenschappelijke, theoretische en empirische evidentie. Ik citeer hem opnieuw: “Het wordt steeds duidelijker dat er vrijwel geen medische problemen zijn waarbij psychosociale aspecten geen rol spelen, of het nu gaat om veroorzaking, verloop, preventie of behandeling. Men hoeft geen wereldvreemde holist te zijn om toe te geven dat voor de analyse van een medisch probleem een stethoscoop, een bloedmonster en een scan vrijwel nooit voldoende zijn, maar dat er zoiets als een gesprek nodig is. Evenzeer wordt het toenemend duidelijk dat een zeer groot deel van het succes van medisch handelen te danken is aan onbekende mechanismen, waarin de arts – patiënt relatie een belangrijke rol speelt.”
En dan maakt Kopland werk van wat er naast het instrumentele gedrag aan affectief gedrag van de arts moet zijn en hij noemt: respect, warmte, echtheid, acceptatie en jawel empathie. Niet omdat het op zich belangrijk is om aardig te zijn voor je cliënten, maar omdat het noodzakelijk is om kennis te verwerven over de ander. Empathie of echte betrokkenheid is zich voorstellen hoe het geweest moet zijn om het leven van de ander geleefd te hebben. Empathie behelst: zich verplaatsen, zich concreet voorstellen wat de ander gezien, gevoeld, gedacht, ervaren heeft en hoe dat zijn wereld heeft gevormd. En nu citeer ik weer: “Mijn ervaring en mijn overtuiging,” schrijft Kopland, “zeggen me: empathie is een noodzakelijke voorwaarde voor het overgrote deel van de diagnostiek en het overgrote deel van het therapeutisch handelen.”

Empathie

Het woord is al genoemd. Hoe is het om als meisje van 3 zonder je moeder naar een ver en vreemd land af te reizen naar een vader die je nooit hebt gezien. Hoe is het als meisje van 3 om steeds bij andere mensen te worden ondergebracht, in een ander bed of bij een ander in bed te slapen? Nooit zeker te weten wie er nu weer voor je zorgt of op je past? Niet te weten of je je moeder en broer ooit nog zal zien, of je vader nog terug komt, of je nog wordt opgehaald, of er ’s nachts iemand thuis is? Hoe is het voor Tyannie om de hele dag en de hele nacht bang te zijn?
Nee, dat gaat niet, dat weet ik. Daar gaat de ziel iets op verzinnen, of de geest of de hersenen, dat weet ik niet. Iets maakt je los van die angst. Je dissocieert van ... ja eigenlijk van alles dat jouw werkelijkheid uitmaakt. En los gemaakt, ben je groot en zorg je voor jezelf, als een furie, misschien wel als een tijger. Zo iets moet je wel fantaseren. Want niemand is te vertrouwen en dat is een groot probleem als je met zo veel mensen op een plek zit die school heet. En als je de taal slecht begrijpt en haast niet spreekt en niet weet hoe lang de dag duurt en wat daarna komt. En als je 4 bent.
Maar voor de juf is het eigenlijk al zeker. ADHD en daar heeft zij er al drie van in haar klas.
En voor de intaker met weinig tijd van BJZ ook. En voor de kinderpsychiater met weinig tijd ook. En voor de farmaceutische industrie zeker.
Het is wel jammer dat empathie zo veel tijd vergt. Tijd die er niet meer is. Niet voor kinderen waar er zo veel van zijn. Die empathie kwam vaak van therapeuten. Die speelden en spraken soms wel een jaar lang met een kind. Dat hielp niet echt. Dat bleek uit wetenschappelijk onderzoek, althans zo werd dat onderzoek genoemd. Nu heb je er niet veel meer, echte kinderpsychotherapeuten. Dat kwam wel goed uit. Het scheelde een hoop geld en een hoop tijd. Nu kunnen veel dames en heren van dat geld in fraai ingerichte panden lang vergaderen over hoe het allemaal moet gaan in de zorg voor kinderen. Daar wordt indrukwekkende taal gebezigd. Een onafzienbare stoet mensen met veel diploma’s en veel kennis komt daar dagelijks bijeen om te bespreken wat er allemaal mis is met onze kinderen en hoe wij dat moeten aanpakken. Je moet ook bijna dagelijks lezen en bijhouden wat zij schrijven want anders weet je niet meer hoe het werkt of gaat werken of zou moeten werken of eigenlijk niet werkt. En dat lezen is ook al niet gemakkelijk want zij bedenken haast hun eigen taal. Bijna dagelijks komen er nieuwe en geheimzinnige woorden en uitdrukkingen bij en nieuwe regels en nieuwe fusies en nieuwe namen en nieuwe panden. Dat hebben zij op Curaçao allemaal niet. Ja Tyannie, in dit land moet je zorg aanvragen, een indicatie hebben voor empathie eigenlijk. Dat is een lange weg, zeker met al die mensen die toch ook maar gewoon hun werk doen. Die stellen zich niet voor hoe bang een meisje van 4 kan zijn. Ben je gek, daar hebben zij geen tijd voor.

Ewald

Ik stap het schoolgebouw van ZMOK–school De Woestijnroos binnen en hoor de boze stem van mijn testassistent Gerben: “Ga je nu naar mij luisteren!” “Ja, meester,” klinkt het benauwd.
Ik loop naar het trapgat en kijk naar boven. Daar hangt Ewald, 7 jaar, ondersteboven in het trapgat. Gerben heeft hem vast bij zijn enkels en laat hem zo bungelen. Gerben is duidelijk woedend. En Ewald is onder de indruk. Omdat Gerben linkshandig is — en zoals U weet maken linkshandige mensen aanzienlijk meer brokken — ben ik er toch niet helemaal gerust op, maar Ewald staat al weer op zijn benen en loopt aan het handje mee naar de testkamer.
Daar doet hij voor het eerst in zijn leven gewoon wat een onderzoeker van hem vraagt: goed kijken, goed luisteren en nadenken voor je wat zegt of doet. Dat resulteert in een gemiddeld I.Q. Dat was bij eerder onderzoek steeds op ‘licht verstandelijk gehandicapt niveau’ bij een — dat stond er meestal wel bij — oppositioneel ingestelde jongen. In het begin had hij ook bij Gerben alles geweigerd en hem zelfs in zijn gezicht gespuugd.
Zo moest ik eens Marijn voor onderzoek in zijn IOBK-groep ophalen op maandagmorgen. Hij was zeer chagrijnig volgens de juf. Had daar ook wel reden toe. Hij woonde in een kinderhuis maar was in het weekeinde bij vader geweest. Omdat Marijn aanhoudende kiespijn had en bleef zeuren, had vader met een tang uit zijn gereedschapskist een forse poging gedaan om de kies te verwijderen. Marijn liep wel mee voor onderzoek maar keek mij donker aan.
“Marijn,” zei ik, “jij hebt een slecht weekend gehad en ik voel mij vandaag ook niet echt goed. Jij doet je best om lief te zijn en je werkt lekker mee en ik geef jou dan vijf gulden. Kijk ik leg ze alvast hier neer. Zij zijn voor jou als het je lukt.” Ook dit resulteerde in een nooit vertoond gemiddeld I.Q.
Ik las in een overlegverslag over de criteria van Cluster 2 dat alle deelnemers aan het overleg: de groep Verhoeven en de mensen van de werkgroepen indicatiestelling het er over eens waren dat het er niet toe doet wie onze wetenschappelijk onderbouwde tests en toetsen afneemt. Zolang mensen zich maar aan de handleiding houden. Diagnostiek is niet relationeel dus, diagnostiek is een kwestie van op een neutrale manier de tests afnemen. Met empathie heeft diagnostiek niets te maken. Dat woord roept meewarige blikken op bij zgn. harde wetenschappers. Hoeveel jonge kinderen, Zmokkers, communicatief gehandicapten en andere wat minder doorsnee–kinderen zouden deze neutrale onderzoekers zelf gezien hebben, vraag je je dan af. In welke wereld leven zij?
Maar past U op. Als het zo verder gaat, leven wij straks allemaal in hun wereld. De onttoverde wereld van instrumentele rationaliteit en objectief en transparant geïndiceerde zorg en “paper work“ , vooral veel paper work. En weinig context en weinig warmte en weinig empathie.
Wat er dan echt van zorg terecht komt, hangt af van allerlei toevallige, menselijke factoren die wij zorgvuldig verwijderd hebben uit ons wetenschappelijk blikveld. Omdat wij onszelf zo graag wijs willen maken dat wij het goed geregeld hebben, dat alles onder controle is, dat wij het beheersen. Om die illusie te blijven koesteren, moeten wij ons blind en doof houden voor waar het eigenlijk om gaat.

To be or not to be

In het T.v.O stelt Rutger Jan v.d. Gaag, hoogleraar KP en morgen hier om u toe te spreken dat door classificatiesystemen de indruk dreigt te ontstaan dat er zo iets is als ADHD of autisme, maar “dat is natuurlijk niet zo.” schrijft hij dan!
Dat is natuurlijk niet zo. Een maand of wat geleden stond nog in de krant dat kinderen met ADHD kleinere hersenen hadden. En hier beweert iemand die het weten kan, dat er niet zo iets is als ADHD. Is dit ook een voorbeeld van iets laten bestaan door erover te praten? Ja, dat denk ik. En ik ben af en toe toch weer enigszins opgelucht als ik bij sommige kinderpsychiaters en andere collega’s beluister dat zij zich realiseren wat de status is van onze begrippen en dat de filosofie en wetenschapstheorie niet geheel aan hen voorbij is gegaan. Maar het is een zwak geluid, dat wel. Het lijkt wel weg te sterven.
Ben ik tegen classificatiesystemen? Dat is een moeilijke vraag. Want wij zien nu hoe het merkwaardige succes van een weinig geslaagd systeem als DSM zeer grote en zeer problematische maatschappelijke gevolgen heeft, hoe de daarmee verbonden bio babbels, technische metaforen en farmaceutische reclame hun stempel drukken op de publieke media en daarmee diep ingrijpen op hoe de gewoonlijk weinig kritische medemens zichzelf ervaart.
Als wij niet snel tot inzicht komen hoe wij worden gemanipuleerd, is dit systeem in zijn uitwerking op zorg en onderwijs rampzalig. Maar dat ligt niet aan wat begonnen is als een wetenschappelijke poging tot ordening. Dat ligt aan maatschappelijke krachten die opportunistisch alles meepakken wat in hun kraam te pas komt. Dat ligt aan hele hordes beleidsmakers en adviseurs en politici die meepraten en napraten en zonder het te weten aan de leiband lopen van… Ja, van wie of wat eigenlijk?

DSM

DSM, the diagnostic and statistical manual of mental disorders, bestaat al lang. De eerste versie is van 1952. Het maakt het mogelijk om alle zgn. psychopathologie in een hokje te plaatsen. Ook de zgn. kinderpsychopathologie.
Eerst onderscheiden wij tussen gezond en ziek, normaal en afwijkend. Dat doen wij maar liever statistisch want dat is neutraal. Wij verklaren dus dat alles dat te veel of te weinig is, afwijkt van het gemiddelde. En dat midden is het juiste midden, het normale midden. Wie te weinig praat is geremd, wie te veel praat manisch. Twee uur angst per dag is te veel, maar nooit angst voelen, is ook niet normaal. Bewegen kan ook hypo of hyper zijn. Te veel vertrouwen is naïef, te weinig achterdochtig. Ja, zo gaat dat.
Zo kun je ook achter of voor zijn in vergelijking met het gemiddelde op een bepaalde leeftijd. Dan nemen wij van al deze beschrijvingen de uitersten. Zeg 3 of 5 of 7.2 procent. Dat is willekeurig maar wordt helder afgesproken. Geen treffender voorbeeld van de willekeur en inhoudelijke armoedigheid van een dergelijke benadering, dan het gedoe over standaarddeviaties in de criteria van Cluster 2. Maar zo komen wij aan een norm. Dat noemen wij vervolgens een criterium voor het hokje.
Met I.Q. 69 ben je op maandag bij psycholoog Jansen licht verstandelijk gehandicapt, met 82 een paar maanden later bij psycholoog Pietersen niet. Kom je nog uit zo’n hokje? Dat hangt er van af.
Ik herinner mij Joe. Een verstandelijk gehandicapte man in een zwakzinnigeninternaat. Spastisch en veel pratend maar onverstaanbaar. Onzin dus. Tot er een zgn. medezwakzinnige in het instituut geplaatst werd. Die had alle tijd en luisterde net zo lang tot hij Joe kon verstaan en begreep. Dat leidde ertoe dat Joe zijn levensverhaal kon schrijven, een heuse autobiografie van een verstandige man die veel had meegemaakt. Zo’n geschiedenis ontroert mij en houdt mij bezig. Ik neig dan naar boosaardige conclusies zoals: DSM is niet alleen ondeugdelijk maar ook nog immoreel.

Allochtonen

Strikt genomen gelden alle richtlijnen aangaande diagnostische instrumenten niet voor kinderen met een allochtone achtergrond. Dat vindt zelfs de Adviescommissie van staatswege die daar over gaat.
In de praktijk worden die beperkingen genegeerd. Er wordt door sommige psychologen, en niet de minste in rang en stand, zelfs beweerd dat er geen wetenschappelijke aanwijzingen voor cultural bias bestaan. Dat het gemiddeld I.Q. van in Nederland wonende Turken en Marokkanen gewoon 78 of daaromtrent is. En denk nu niet dat ik dat verzin. Zo iets kan morgen in de krant staan, die kant gaat het op. Merkt U dat? Dat het die kant opgaat?
Er is een culturele psychologie die daar anders over denkt. Heel anders. Die weet van context en van geschiedenis en van relatie en van betekenis en attributies. Die weet van relationele diagnostiek. En die hebben o.a. gevraagd of de tasc force groep van DSM in de handleiding wilde opnemen dat de categorieën en criteria voor stoornissen een weerspiegeling vormden van de Amerikaanse middenklasse. Nou dat kon niet, dat zult U begrijpen. Dat vond de farmaceutische industrie waarschijnlijk geen goed idee. Die zien hun markt als wereldwijd.

Afsluitend

Het categorale denken en de praktijk van indicatiestellende dossiervulling leidt af van waar wij het echt over moeten hebben: de geschiedenis van het kind en zijn ouders, hun belevingswereld, hun verhalen. De verhalen achter de klachten en de scores.
De term diagnostiek in onze praktijk van omgang met kinderen met problemen, moet naar mijn mening gereserveerd blijven voor een betrokken, empathisch gericht onderzoeken en beoordelen van wat zich heeft afgespeeld, welke verhalen er nu zijn en hoe het kind daar in staat.
Roberto en Jordy en Tyannie en Steve en vele andere kinderen hebben mij duidelijk gemaakt dat veel van onze kinderen opgroeien in de onveiligheid en ellende van een verknipte wereld en dat zij ouders hebben met eenzelfde achtergrond. Als wij hun problemen interpreteren als kindkenmerken, als stoornissen in de chemie en de bedrading van het apparaat en als oplosbaar met drankjes en pillen of met opgelegde oefeningen of trainingen, ontdoen wij hun wereld van betekenis en samenhang en dat is ook onze wereld. Wij kijken dan louter met de bril van maat en getal, van richtlijn en protocol, van afspraak- en afvinklijstje. Wij zien nog slechts wat wij willen of mogen zien. Wij lopen aan de leiband van hen die zichzelf wijs maken dat het boeltje netjes op orde is en dat de zorgwinkel rationeel gerund wordt en alles onder controle is. Wij laten ons imponeren door wat zich wetenschap noemt met een tam tam van pretenties en snelle babbels waarbij de taal kraakt in haar voegen. Wij laten ons meeslepen door een niet te stuiten bedrijvigheid die steeds weer waarheid maakt. Waarheid voor een paar dagen. Wij vermijden angstvallig te zoeken waar het moeilijk is en duister en regelmatig ook vies en onplezierig. Terwijl daar wel de oorzaken liggen van veel van het opvallend gedrag van kinderen en volwassenen. Kortom: wij zijn als de dronken man die zijn autosleutels is kwijt geraakt in de donkere bosjes, maar zoekt onder het licht van de lantaarnpaal omdat het daar lichter is.
Zo dronken ben ik nooit geweest, zult U misschien zeggen. Ik weet echt wel wat ik doe en waarom ik het doe. Maar weet U dat nu echt wel zeker? Dat woordje “ik”, want daar zit het hem in. Die persoonlijke betrokkenheid, die persoonlijke overtuiging, die persoonlijke verantwoordelijkheid ten opzichte van uw werk. Laat U zich echt niet overdonderen, imponeren of voor het karretje spannen?
Hoe kan het dan dat ieder zo braaf lijkt te doen wat hem of haar wordt opgedragen? O ja, er wordt geklaagd en gemopperd, veel zelfs. Ook door de dronken man. Want zijn sleutels vindt hij niet, ondanks het licht. Maar ondertussen gaat het door en woekert het verder. En gaan wij het gewoon vinden. En straks weten wij niet meer wat wij eigenlijk zochten. En uiteindelijk bestaat het niet meer omdat wij het niet meer missen. Dan is paper work de werkelijkheid en inspector Frost een Don Quichotte–achtige figuur uit een schimmig verleden. Toen de mensen nog een verhaal hadden en de wereld nog betekenis. Toen communicatie nog verwees naar een gesprek. Toen zorg nog verwees naar empathie. Toen kinderen nog mogelijkheden hadden in plaats van stoornissen. Toen wetenschap nog liefde voor de waarheid had. Toen wij nog allemaal wat meer wilden doen dan gewoon ons werk.
Elke dag maakt U keuzes om te doen of niet te doen. Die bepalen onze toekomst. En dat wordt ons verleden. Mag ik U dat meegeven. Dat over die keuzes en dat ik?
Ik dank U voor Uw belangstelling en Uw uithoudingsvermogen.

Gerard Brouwers

Info over Simea op www.simea.nl


to top to top to top to top

homepage T&T homepage SON-tests