Intelligentietests voor jonge kinderen Intelligentietests voor jonge kinderen Bespreking: Intelligentie, weten en meten Intelligentie: weten en meten Diagnostiek bij onderwijs en indicatiestelling Diagnostiek onderwijs en indicatiestelling
Zin of onzin van de kleutertoets Zin of onzin van de kleutertoets Zogenaamde Classificerende Diagnostiek Zogenaamde Classificerende Diagnostiek Rugzak of Aapje? Rugzak of Aapje?
Het kind als machientje Het kind als machientje De waan van het IQ De waan van het IQ Diagnosten in spagaat Diagnosten in spagaat
Kinderen met dyslexie onderschat Kinderen met dyslexie onderschat IQ en onderwijs, twee NRC artikelen IQ en onderwijs, twee NRC artikelen Tests onzuiver belicht Tests onzuiver belicht


Dit artikel is ook te downloaden als Word document: klik.

Tijdschrift voor Orthopedagogiek, 42 (2003) 396-398
(ingezonden reactie)

Zogenaamde Classificerende Diagnostiek
als opmaat naar bureaucratie en gesjoemel

Gerard Brouwers

Over het onderscheid tussen zogenaamde handelingsgerichte en classificerende diagnostiek is de afgelopen tijd veel te doen geweest (1), vooral in relatie tot de invoering van de wet op de Expertisecentra. De bijv. in het tijdschrift voor Orthopedagogiek gevoerde discussie is overwegend theoretisch en academisch van karakter. Het lijkt erop alsof de auteurs zich niet bewust (willen) zijn van de onzinnig- en onbillijkheden die nu al zichtbaar worden in een uitvoeringspraktijk die nog maar net begonnen is.

Werkzaam in die praktijk (2) kijk ik met grote bezorgdheid naar wat hier gaande is en uit overleg met ervaren collega’s blijkt steeds dat ik in die bezorgdheid niet alleen sta. Mijn inschatting is ook dat het hier niet gaat om "kinderziekten" van een systeem waar iedereen nog een beetje aan moet wennen, maar dat een route is ingeslagen die zal leiden tot een enorme bureaucratie, "gesjoemel" met rapportage, grote willekeur bij de toetsing aan die zgn. "objectieve" criteria en …., en dat is nog het meest te betreuren, een sterk toenemende onduidelijkheid bij ouders over de trajecten waarin zij zijn beland en een sterk afnemende kwaliteit van de werkelijke extra–zorg voor kinderen met problemen.
Deze pessimistische kijk wordt nog gevoed door mijn (maar ook weer met vele anderen gedeelde) ervaringen met de indicatiestellingen voor leerweg–ondersteunend en praktijkonderwijs.

Wat is er mis? Ik ben geneigd om te zeggen: bijna alles, en niet alleen op het niveau van uitvoering, maar zeker ook op het niveau van beleid, achterliggende theorievorming en advisering door deskundigen die hun specifieke opvatting kennelijk bij de overheid weten te presenteren als onbetwistbare, wetenschappelijk verankerde uitgangspunten.

Laat ik met enig anekdotisch materiaal illustreren wat er met de uitvoering mis is. In de lopende proefpraktijk van indicatiestelling voor Cluster 4 (Zmok, PI, KP) wil het maar slecht lukken om indicatiestellingen op grond van aangetoonde "stoornissen" te verstrekken. Louter administratief werkenden of maatschappelijk werkenden die zich met de intake bezig houden, zijn zich dit probleem pijnlijk bewust en proberen met de markeerstift in de ene en het DSM–boekje in de andere hand in de aangeleverde rapporten termen als autistisch spectrum, oppositioneel, ADHD of dysthymie te ontwaren. Hun opdracht is om de "dossiertjes" overzichtelijk en panklaar bij de CVI–leden aan te leveren. En zo kan de zin: "Bij Rob lijkt van ADHD niet direct sprake," gemakkelijk uitmonden in een gemarkeerd woord en een vervolgens voetstoots aangenomen ADHD–classificatie (3).
Wat ook in het geheel niet uitmaakt, is van wie zo’ n rapport afkomstig is. Iedereen mag alles schrijven in dit land (gelukkig maar!), maar de deskundigheid en ervaring van mensen laat zich maar moeilijk afleiden uit rapportage, zeker als niemand van het CVI kind of ouders gezien heeft. Bij rapporten die elkaar onderling tegenspreken, wordt geadviseerd alleen die te overleggen die past bij de aangevraagde indicatie, want anders maak je het de CVI–leden onnodig moeilijk. Mocht een zevende afname van een intelligentietest (desnoods binnen dezelfde week) nodig zijn om het gewenste I.Q. te verkrijgen, dan stuur je uiteraard alleen het zevende profiel op. Geen haan die er naar kraait!
En dit wetende is het uiteraard ook mogelijk om verslagen van onderzoeken (met goed van pas komende resultaten) op te sturen die in werkelijkheid nooit hebben plaats gevonden. Heel handig is ook het gebruik van allerlei vragenlijsten die de perceptie van het kind door ouders of leerkrachten weergeven. Niet alleen zijn de resultaten buitengewoonlijk makkelijk te beïnvloeden door de instructie waarmee je deze vragenlijsten aanbiedt, maar vervolgens doe je gewoon alsof de uitkomsten werkelijke kindkenmerken aangeven.

Met de "diagnose" van ADHD zijn wij immers aan deze werkwijze al aardig gewend geraakt. De TCAI keurt ook het gebruik van onderzoeksinstrumenten goed waarvan de validiteit of betrouwbaarheid op geen enkele manier aannemelijk is gemaakt met het argument dat er momenteel geen beter alternatief is. Alles liever dan het subjectieve oordeel van de psycholoog of orthopedagoog die probeert zijn ervaring met het kind vast te leggen. Opmerkelijk bewust is men zich dan ineens van de risico’s van het bestaande onderzoeksinstrumentarium bij het onderzoeken van allochtone leerlingen (4). Hierbij wordt dan een terughoudendheid aan de dag gelegd die bij het classificeren van autochtone leerlingen ver te zoeken is.

Het gedrag van ouders, zeker in de praktijk van Cluster 4, is gemiddeld ook wat anders dan het beeld dat beleidsmakers voor ogen stond. Uiteraard is het een goed uitgangspunt om ouders aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor de zorg van hun kinderen; om je onderzoek af te stemmen op de vragen die zij hebben; om hun de keuze te geven waar zij extra zorg willen verkrijgen, e.d. Maar er zijn ouders (en in Cluster 4 zijn het er relatief veel) die deze verantwoordelijkheid niet nemen, omdat zij dat niet willen of niet kunnen of het niet als hun verantwoordelijkheid voelen. Dan wordt het kind de dupe, vinden wij, de deskundigen, en moeten wij in zekere zin die verantwoordelijkheid overnemen. Maar dat kan alleen en gebeurt alleen vanuit een zekere betrokkenheid die ontstaat na kennisname van de werkelijke problematiek zoals die blijkt uit de verschijning en de verhalen van kind en ouders zelf.
Die betrokkenheid ontstaat meestal niet op basis van formulieren en louter schriftelijke rapportage (tenzij sprake is van literair begaafde auteurs en gepassioneerde lezers). En bij bovengenoemde categorie ouders die door betrokken geraakte hulpverleners niet bij de hand worden genomen en met enige dwang worden geconfronteerd met de escalerende problematiek van hun kind, gebeurt er dus niets als je hen door het toezenden van de aanmeldingsformulieren slechts formeel wijst op hun verantwoordelijkheid.
Dan eet de bouvier de dikke envelop met formulieren op die de ouders is toegezonden of stagneert de aanmelding anderszins in het bureaucratisch circuit.

Maar het gaat alleen nog maar om formulieren, verzuchten mijn collega’s. Het gaat helemaal niet meer om inhoud of over kinderen of betrokkenheid!
En dat lijkt mij het belangrijkste bezwaar tegen de nu in gang gezette praktijk. Dat mensen die er voor hebben gekozen om zich in te spannen voor kinderen met problemen, het gevoel krijgen dat zij een belangrijk deel van hun tijd moeten besteden aan zaken die louter administratief en bureaucratisch van belang zijn.
Daarmee volgen wij natuurlijk wel een trend: in ziekenhuizen, bij de hulpverlening aan daklozen en psychiatrische patiënten, bij de politie, etc. is ook steeds het verhaal dat men door de in te vullen formulieren en op te stellen rapporten weinig tijd meer over houdt voor de cliënten waarvoor de organisatie heet te zijn opgezet.
Zo creëren wij met zijn allen de illusie dat wij het allemaal prima geregeld hebben, terwijl wij tegelijk (bijna) allemaal het gevoel hebben dat het nergens meer over gaat. ‘Ik word zo moe van al die onzin,’ zei een collega die er inderdaad aangeslagen uitzag. "Als jij er een boze brief over schrijft, teken ik hem onmiddellijk, maar ik heb echt geen puf om er zelf een te schrijven. Het gaat toch allemaal gewoon door!"

Wat is er mis met een theoretisch pleidooi voor classificerende diagnostiek, zoals bijv. Van Rijswijk dat houdt? (5 . Het is een mooi woord en het past bij het rijtje van soorten diagnostiek die men tegenwoordig wil onderscheiden. Maar de vraag is wel of er iets werkelijks aan beantwoordt dat in overeenstemming is met de intentie en wijze waarop het begrip is bedacht. Bestaan er bijv. kindkenmerken die zich objectief laten vastleggen louter door het gebruik van onderzoeksinstrumenten? En wat te denken van kenmerken van de school, van de ouders, van de leefomgeving? Staat dit denken in termen van traits, kenmerken, eigenschappen, stoornissen, etc. niet wat haaks op een interactionistisch of ecologisch ontwikkelingsmodel dat wij allemaal met de mond belijden? Waarom halen wij voortdurend kenmerken, beoordelingen en uit onderzoeksresultaten geconstrueerde concepten door elkaar? Zijn bijv. bijziendheid, spasticiteit, zwakbegaafdheid, depressie, aandachtstekort, e.d. concepten uit dezelfde logische klasse?

Zonder nu dieper in te willen gaan op deze fundamentele kwesties in de wetenschapsfilosofie, wil ik hier toch poneren dat de gangbare opvattingen over dit soort vragen bij degenen die zo nadrukkelijk een bepaalde wetenschapsopvatting van de psychologie als standaard willen neerzetten, nogal naïef zijn in de ogen van anderen met een wellicht wat ruimere kennis op het gebied van mensbeelden en wetenschapsopvattingen. In hun ogen is het DSM–boekje niet meer dan een woordenboek en is er aanzienlijk meer psychologie mogelijk dan bijv. de psychometrie ons wil doen geloven. Maar zelfs als men zou geloven in de waarde van een classificerende benadering, dan moet toch gewoon worden vastgesteld (samen met de leden van de Onderwijsraad bijv.) dat de psychologie in de verste verte niet over het instrumentarium beschikt dat een classificerende diagnostiek mogelijk maakt.

En niets is makkelijker dan dit te demonstreren aan de hand van ons "beste" instrument: het intelligentie–onderzoek.
Zij die willen toegeven dat het instrumentarium niet volmaakt is, beroepen zich dan op de subjectiviteit van de ervaringsdeskundige en de grote mate van willekeur die dit tot gevolg heeft. Ook daar valt vanuit een genuanceerd wetenschapstheoretisch gezichtspunt veel meer over te zeggen dan in zo’n ferm klinkende maar weinig realistische argumentatie naar voren komt. Ik ben zelf niet geneigd om een psycholoog met meer dan twintig jaar ervaring en zo’n 5000 onderzoeksrapporten over individuele kinderen op zijn naam, alleen maar te zien als een bron van subjectieve verwarring op het moment dat hij uitspraken doet die hij niet met testuitslagen kan "onderbouwen".
In mijn ogen is daarom classificerende diagnostiek weinig meer dan een kaartspel in een afgesloten ruimte voor dames en heren die hun eigen virtuele realiteit hebben gecreëerd en die het risico lopen besluiten te nemen die weliswaar helder en transparant zijn, maar die elke binding met de alledaagse werkelijkheid missen en daarom gemakkelijk worden tot een (overigens erg kostbare) slag in de lucht.
Juist die binding met de werkelijkheid en de weerbarstigheid waarmee onjuiste beoordelingen worden gecorrigeerd door het verdere verloop, was en blijft een sterk punt in het voordeel van psychologen en orthopedagogen die werkzaam zijn in de praktijk. Bureaucratie daarentegen heeft zichzelf immuun gemaakt voor toetsing door ervaring. Om toch een werkbare situatie over te houden en omdat de regels nu eenmaal heilig zijn of als zodanig worden gehandhaafd, ontstaat in concrete situaties waarin men het over de onzinnigheid eens is, een praktijk die doet alsof. Je kunt dit "creatief classificeren" maar natuurlijk ook gewoon "fraude" noemen.

Mede om die reden ( maar er zijn nog een aantal andere!) acht ik classificerende diagnostiek niet alleen een onmogelijke vorm van diagnostiek maar ook moreel verwerpelijk!

--------------------------------

Noten:

1. Zie de artikelen van Koning, Bakker en Pijnenburg, van Beukering en Pameijer en van Van Rijswijk in het Tijdschrift voor Orthopedagogiek, jaargang 41 en 42.

2. Ik werk vanaf 1973 als psycholoog in diverse commissies van onderzoek ten behoeve van het speciaal onderwijs in regio Den Haag.

3. Ik verzin dit voorbeeld niet!

4. Zie blz. 12 van de publicatie van de Werkgroep Advisering Instrumentarium Indicatiestelling van Wilma Resing e.a. Er staat letterlijk: "Met nadruk wil de werkgroep erop wijzen dat het beoordelen van de instrumenten op hun bruikbaarheid bij kinderen met een allochtoon–etnische achtergrond niet tot haar opdracht behoorde." Aangezien dit boekwerkje zich tot een soort bijbel van de ons opgelegde staatsdiagnostiek lijkt te ontwikkelen, is dit een relevante kanttekening. Voor ca. 80 % van de kinderen die ik zie, mag ik voorlopig nog even terugvallen op mijn subjectieve en willekeurige beoordelingen.

5. Zie Van Rijswijk in T.voor Orthopedagogiek 2003, nr.3

Drs. G.W. Brouwers is werkzaam bij SBO De Vliethorst in Leidschendam


to top to top to top to top

homepage T&T homepage SON-tests